HET RECHT VAN DE LOGICA

BESCHRIJVENDE INHOUDSOPGAVE

Dit boek bestaat uit drie delen. De eerste twee gaan over communicatie respectievelijk besluitvorming. Het derde deel gaat over voorwaarden voor vreedzaam naast elkaar bestaan, en over hun betekenis voor het recht.

De delen hebben ieder drie hoofdstukken. Het boek wordt besloten met een hoofdstuk dat bestaat uit een samenvatting, conclusies en aanbevelingen.

Deel 1. Vooronderstellingen en gevolgen van taalgebruik.

Hoofdstuk 1 gaat over logische aspecten van de communicatie tussen zelfstandige wezens. In het bijzonder over de wijze waarop een communicatiemiddel gedefinieerd wordt, en over de eigenschappen die volgen uit de definitie. Geconstateerd wordt dat communicatie alleen mogelijk is nadat er afspraken zijn gemaakt. Die afspraken hebben verstrekkende en wellicht onverwachte gevolgen. Zo kan een deel van het burgerlijk recht worden opgevat als rechtstreeks gevolg van de aanname dat aan een overeenkomst die belichaamd is in taaluitingen een afspraak over de taal vooraf moet zijn gegaan. Een communicatiemiddel is geen natuurlijk gegeven zoals bijvoorbeeld zonlicht. Het is een maaksel van mensen.

Het feit dat van communicatie afgezien kan worden maakt het mogelijk om later in het boek stellingen te formuleren die beginnen met "Als mensen willen communiceren, dan..". Dat er voor communicatie afspraken gemaakt moeten worden is van belang omdat een communicatieafspraak het naleven van bepaalde normen en waarden vereist. Wie wil communiceren belooft meer dan meestal wordt beseft.

Mensen communiceren over het algemeen door middel van een taal. Paragraaf 2 behandelt eigenschappen van talen die van belang zijn voor begrip van de mogelijkheden voor het bereiken van overeenstemming.

Paragraaf 3 is gewijd aan het verband tussen taal en overeenstemming. Eigenschappen van de taal bepalen en beperken namelijk de mogelijkheden voor overeenstemming. Uitgelegd wordt dat overeenstemming over de taal en gegeven uitgangspunten betekent dat er overeenstemming zou moeten bestaan over alle conclusies die daaruit getrokken kunnen worden met ("logisch") redeneren.

Het eerste hoofdstuk wordt besloten met een samenvattende opsomming van voorwaarden voor communicatie.

Het onderwerp van het tweede hoofdstuk is "redeneren". Er wordt nagegaan wat dit inhoudt en betekent. Er wordt gewezen op moeilijkheden en valkuilen. Redeneren is een activiteit die wordt bepaald door de taal. Het is een activiteit waarmee aangetoond kan worden dat taaluitingen wel of niet in strijd zijn met de taalafspraak. Dus ook of iemand die de taalafspraak onderschrijft ergens aan gebonden is of niet. Redeneren is "logisch" in de zin van het spraakgebruik. Het begrip logisch is te meer van toepassing omdat het Griekse begrip "logos" correspondeert met het Nederlandse begrip "woord". Het kan daardoor herinneren aan het talige karakter van het begrip "logisch". Het begrip redeneren wordt toegelicht aan de hand van voorbeelden van goed en foutief redeneren. Het onderwerp wordt betrekkelijk uitgebreid behandeld omdat het wezenlijk is voor de beoordeling van verhalen die ten doel hebben iemand ergens mee in te laten stemmen.

Een redenering is een soort verhaal. Het is een reeks zinnen met een aantal bijzondere eigenschappen. Er zijn allerlei typen verhalen. De meest wezenlijke eigenschap van een redenering, en de eigenschap die haar onderscheidt van alle andere typen verhalen, is deze, dat iemand die de uitgangspunten van een redenering onderschrijft gebonden is aan de conclusies van een redenering, en niet aan de conclusies van enig ander type verhaal. Vanwege het belang van dit onderscheid, en vanwege de praktische moeilijkheid van het onderscheiden van de verschillende typen verhalen, worden in paragraaf 2 enkele van die typen nader bekeken.

In paragraaf 3 wordt wat dieper ingegaan op enkele eigenschappen van redeneringen. Verder wordt aangegeven in welke opzichten de ene redenering kan verschillen van de andere. In paragraaf 4 worden voorbeelden van redeneringen gegeven. Het blijkt niet eenvoudig om "zuivere" voorbeelden te vinden. Slechts zelden is een verhaal een zuivere redenering. Vaak worden er in de loop van het verhaal stilzwijgend veronderstellingen gemaakt die de toehoorder of lezer niet hoeft te delen. Bovendien worden er vaak fouten gemaakt, en een foute redenering is strikt genomen geen redenering. In paragraaf 5 worden belangrijke toepassingen van redeneren genoemd. Naast de genoemde zijn vooral van belang: het corrigeren van een verzameling uitspraken (bijvoorbeeld een stuk kennis of recht) en het verbeteren van een begrippenverzameling (het woordenboek).

De definitie van redeneren kan ten onrechte de indruk wekken dat redeneren kinderlijk eenvoudig is. Daarom begint paragraaf 6 met voorbeelden waaruit blijkt dat redeneren vaak buitengewoon moeilijk is. De vraag is dan hoe het komt dat iets dat zo eenvoudig lijkt toch zoveel hoofdbrekens kan kosten, of zelfs onze menselijke capaciteiten te boven gaat. Zonder te beweren het volledige antwoord te geven wordt in ieder geval een aantal aspecten genoemd die verklaren dat het trekken van relevante conclusies uit gegeven uitspraken (kennis) moeilijker wordt naarmate ze nieuwer lijken.

De rest van het hoofdstuk gaat over praktische aspecten van redeneren. Op de eerste plaats doet paragraaf 7 een poging tot klassificatie van redeneerfouten. Voor alle typen fouten worden voorbeelden gegeven. Vervolgens bespreekt paragraaf 8 enkele teksten over onderwerpen die ook in het kader van andere hoofdstukken van belang zijn, en die belangrijke redeneerfouten bevatten van veel-voorkomende typen.

Paragraaf 9 geeft tips waarmee beoordeeld kan worden of een verhaal inderdaad een redenering is of niet.

Hoofdstuk 3 gaat over collectief redeneren: een activiteit van een aantal mensen die ten doel heeft om samen een redenering op te zetten. Net als bij de taalafspraak houdt dit veel meer in dan op het eerste gezicht lijkt. Men wil namelijk niet alleen een redenering, maar ook nieuwe en zinvolle conclusies. Liefst zo snel mogelijk. De activiteit moet dus zo doelmatig mogelijk worden ingericht. Uit deze eisen wordt een reeks voorwaarden voor collectief redeneren afgeleid.

Mensen die van mening verschillen over de uitgangspunten moeten het bij gegeven uitgangspunten in beginsel wl eens worden over een redenering als logisch verband tussen uitgangspunten en conclusies. Over de conclusies zullen ze net zo van mening verschillen als over de uitgangspunten. Er is alle reden om aan te nemen dat mensen het niet over alle uitgangspunten (of beweringen) eens kunnen worden. Waarom zou iedereen geel (of een specifieke kleur geel, met een bepaalde golflengte) een mooie of de mooiste kleur moeten vinden? Van een willekeurige groep mensen kan onmogelijk verwacht worden dat ze over elk willekeurig of ook maar belangrijk onderwerp een redenering kunnen opzetten waarvan de conclusies door alle leden onderschreven worden. Wel kan onder andere worden geprobeerd om de verschillende opvattingen te inventariseren en bij te stellen in het licht van nieuwe informatie. In paragraaf 2 wordt een poging gedaan om dit proces enigszins te structureren.

Onder onderzoek verstaan we hier activiteiten die ten doel hebben om een samenvattende beschrijving te geven van bepaalde categorie verschijnselen. Net als redeneren wordt onderzoek vaak door meerdere mensen samen gedaan, eventueel verspreid over verschillende plaatsen. Uitgaande van de doelstelling van onderzoek worden er in paragraaf 3 voorwaarden voor doelmatig collectief onderzoek afgeleid. De doelstellingen lijken op die van redeneren, en hetzelfde geldt voor de voorwaarden die er uit worden afgeleid.

Deel 2. Optimaal handelen.

Het tweede deel is gewijd aan besluitvorming. Naast de vraag hoe besluitvorming geoptimaliseerd kan worden staat hier de vraag centraal naar de verantwoording van besluitvormingsmethoden tegenover degenen die er gevolgen van ondervinden. In hoeverre, of onder welke voorwaarden, hebben mensen boodschap aan een besluit dat door anderen genomen is, al dan niet in hun naam?

Het deel begint met een hoofdstuk over besluitvorming in het algemeen. Als je een zo goed mogelijk besluit wilt nemen, hoe moet je dan te werk gaan en waarom? Wat moet je doen om tot een optimaal besluit te komen? De methode wordt afgeleid uit een analyse van de doelstelling: wanneer noem je een besluit optimaal? De methode bestaat uit een aantal stappen die in de paragrafen 2-5 nader worden geanalyseerd. In het bijzonder wordt stilgestaan bij de waardering van de alternatieven waaruit gekozen kan worden. Die wordt per definitie bepaald met behulp van normen en waarden. De begrippen normen en waarden zullen we in latere hoofdstukken nog vaak tegenkomen. Er worden vele voorbeelden van gegeven.

In paragraaf 6 wordt besproken hoe de doelmatigheid van de uitvoering van de methode vergroot kan worden. Vervolgens worden er verschillende andere methoden van besluitvorming besproken. Zowel theoretische, maar praktisch uitvoerbare, methoden, als inconsistent besluitvormingsgedrag uit huis, werk en politiek. Alle methoden worden vergeleken met de methode van optimale besluitvorming.

De twee andere hoofdstukken van het tweede deel gaan over besluitvorming door meerdere personen. Dit soort besluitvorming wordt collectieve besluitvorming genoemd. De betreffende personen kunnen bijvoorbeeld een gezin, een vereniging, een onderdeel van een organisatie of de bewoners van een staat vormen. Het eerste van de twee hoofdstukken, hoofdstuk 5, gaat over besluitvorming door mensen die over het te nemen besluit met elkaar communiceren. Kortom: over onderhandelen. In de bespreking wordt de nadruk gelegd op fundamentele aspecten. Hoofdstuk 6 gaat over situaties waarin er niet of marginaal wordt gecommuniceerd.

Onderhandelen is een complex onderwerp. De methode voor optimale besluitvorming is in beginsel van toepassing, maar het gebruik wordt bemoeilijkt doordat wezenlijke informatie erg onzeker is of ontbreekt. Dit betreft met name de waardering van de verschillende alternatieven door de verschillende onderhandelaars. Een onderhandelaar wil weten hoeveel waarde anderen aan de verschillende potentile onderhandelingsresultaten hechten, en hoeveel bezwaar ze tegen andere resultaten hebben. E.e.a. in verhouding tot zijn eigen waarderingen. Dit probleem is het onderwerp van paragraaf 2 van hoofdstuk 5. Paragraaf 3 geeft een definitie en nadere analyse van onderhandelen. Paragraaf 4 probeert inzicht te geven in ethische aspecten van onderhandelen. Gedrag bij onderhandelen voldoet immers zelden aan de normen die buiten het kader van onderhandelen worden gehanteerd. Mag dat? Tot op welke hoogte en waarom? Ook onderhandelingen komen in soorten. Er zijn eenvoudiger en ingewikkelder onderhandelingen. Paragraaf 6 schetst verschillende mogelijke complicaties. Het geeft verder een beknopt overzicht van de stand van de relevante ervaringskennis en theorie.

Onderhandelen is gericht op overeenstemming. De mogelijkheid om die te bereiken hangt onder andere af van de aard van het onderwerp en de grootte en samenstelling van de groep onderhandelaars. Als er uitkomsten zijn waarvan iedereen denkt dat ze hem voordeel opleveren, en geen uitkomsten die bepaalde personen onevenredig bevoordelen, dan is het mogelijk dat er binnen afzienbare termijn een besluit genomen wordt waar iedereen mee instemt. Zelfs als de groep groot is. Maar als er iets verdeeld moet worden en sommigen denken er op vooruit te gaan terwijl anderen denken in te moeten leveren, dan zal zelfs een kleine groep moeite hebben met het bereiken van overeenstemming. De indruk kan dan (soms terecht) ontstaan dat er met praten niet uit valt te komen.

Naarmate de omvang van de groep toeneemt wordt het moeilijker of zelfs onmogelijk om iedereen de gelegenheid te geven om er achter te komen welke informatie hij nodig vindt, die informatie te verwerven, te verwerken, en ten slotte te zeggen wat hij wil. Als alle leden van de groep de slechtste of minst goede uitkomst minder erg vinden dan geen besluit of geen tijdig besluit, dan kunnen ze instemmen met een eenvoudiger procedure. Bijvoorbeeld door vertegenwoordigers te kiezen en die te laten besluiten bij meerderheid van stemmen. Deze en andere mogelijkheden worden besproken in het derde hoofdstuk van dit deel.

Als inleiding wordt het NIMBY-vraagstuk besproken (NIMBY: Not In My BackYard). Dat betreft besluiten die een overgrote meerderheid voordeel opleveren, maar een kleine minderheid onevenredig groot nadeel. In sommige van die situaties wordt het van oudsher noodzakelijk gevonden om de benadeelden een vergoeding te geven. In de tweede paragraaf wordt de algemene situatie beschreven. Daarin heeft een aantal mensen voordeel van een besluit, terwijl de anderen er niets aan hebben of nadeel van ondervinden. Volgens henzelf. Op grond van de analyse worden definities gegeven van vooruitgang en algemeen belang. Aangetoond wordt dat alleen gezegd kan worden dat een activiteit in het algemeen belang is of vooruitgang betekent als de benadeelden gecompenseerd kunnen worden ten laste van de bevoordeelden zonder dat het voordeel van de laatsten daardoor geheel verdwijnt.

Paragraaf 3 bespreekt besluitvorming door stemmen bij meerderheid: meerderheidsbesluitvorming. Zowel de rechtvaardiging van de methode als de kritiek erop passeren de revue.

Een fundamenteel probleem bij collectieve besluitvorming is de vergelijking van waarderingen van verschillende personen. Sommige mensen menen dat mensen niet in staat zijn om waarderingen zodanig te kwantificeren dat de waardering van de n vergelijkbaar is met die van een ander. Daarom is en wordt er gezocht naar methoden die het mogelijk maken om een collectief besluit te nemen zonder daar andere informatie voor te gebruiken dan relatieve voorkeuren van de meebeslissers. Dat wil zeggen, uitspraken van het type: ik ga liever naar het strand dan naar het bos. Het resultaat is dan een collectieve ordening. Zo'n ordening kan worden opgevat als een vereenvoudiging van de eerder besproken methode voor optimale besluitvorming. Paragraaf 5 doet verslag van een vergeefse poging om een aanvaardbare collectieve ordening te konstrueren op basis van de individuele voorkeursordeningen van de meebeslissers. Aansluitend worden in paragraaf 6 nog enkele andere vereenvoudigde versies van die methode besproken. Niet in de laatste plaats omdat ze inzicht geven in de betekenis van waarderingen.

Paragraaf 7 beschrijft fundamentele aspecten van enkele methoden van collectieve besluitvorming in de praktijk. Althans voor zover ze nog niet eerder aan de orde zijn geweest, en voor zover ze van belang zijn in het kader van de doelstellingen van dit boek.

Voor "collectieven" met juridische betekenis, de zgn. rechtspersonen, geeft het recht voorschriften voor de besluitvorming. De laatste paragraaf van het hoofdstuk geeft daar een overzicht van.

Deel 3. Enkele fundamentele normen en waarden en hun gevolgen.

Hoewel ethische aspecten ook in deel twee een rol spelen komen ze pas in deel drie uitdrukkelijk aan de orde. In deel 1 wordt geconstateerd dat er geen bewijs bestaat voor de onbetwistbaarheid (objectiviteit) van normen en waarden, en dat het aannemelijk is dat dat komt doordat er doodeenvoudig geen objectieve normen en waarden bestaan. Die constatering wordt in het derde deel als een gegeven beschouwd. Daarom wordt er geen pleidooi gehouden voor een bepaald stelsel normen en waarden. Wel wordt nagegaan wat een aantal breed gedeelde normen en waarden voor logische consequenties heeft, en hoe die consequenties zich verhouden tot wetgeving en collectieve besluitvorming. Na een inleidende paragraaf worden in paragraaf 2 de begrippen objectief, subjectief en subjectiviteitsbeginsel besproken. In paragraaf 3 worden de begrippen normen en waarden, welzijn en geweld gedefinieerd. In de paragrafen 4 en 5 worden deze begrippen gebruikt voor de formulering van de belangrijkste stellingen van dit boek. Paragraaf 4 geeft definities van het vrijwaringsrecht en van vreedzaam naast elkaar bestaan. Er wordt een stelling bewezen over voorwaarden voor vreedzaam naast elkaar bestaan. In paragraaf 5 wordt het begrip wederkerigheidsbeginsel ingevoerd. Met behulp daarvan wordt een stelling geformuleerd die laat zien hoe bij genoemde aannames het best gereageerd kan worden op ongewenst gedrag.

In de paragrafen 6-12 van hoofdstuk 7 worden verschillende begrippen en verschijnselen geanalyseerd in het licht van de resultaten van de paragrafen 2-5. In het bijzonder wordt nagegaan in welke mate diverse gangbare opvattingen met elkaar te rijmen zijn. Eerst wordt gekeken naar collectieve besluitvorming (paragraaf 6). Vervolgens naar de mensenrechten van de Universele verklaring van de rechten van de mens (paragraaf 7). Paragraaf 8 gaat over sociale en economische rechtvaardigheid en tolerantie. De paragrafen 9-11 zijn gewijd aan groepen mensen die bepaalde normen en waarden gemeen hebben, en wel de normen en waarden die betrekking hebben op het naast elkaar bestaan. Voor het gemak worden dergelijke groepen culturen genoemd. Als in het dagelijks leven wordt gesproken over culturen heeft men waarschijnlijk vaak de illusie van gedeelde normen en waarden. In werkelijkheid is dat maar zelden het geval. De laatste paragraaf van het hoofdstuk gaat over pluriforme samenlevingsverbanden: staten en hierarchische organisaties. Er wordt ook aandacht gegeven aan het verschijnsel dat mensen vaak doen alsof deze organisaties mensen zijn.

De twee andere hoofdstukken van deel 3 zijn gewijd aan uitwerkingen van de resultaten van dit eerste hoofdstuk. Hoofdstuk 8 betreft besluitvorming met eenstemmigheid, oftewel consensusbesluitvorming. Het sluit aan op de eerste twee delen van het boek, die lieten zien dat iemand niet gebonden is aan besluiten waarmee hij niet zelf heeft ingestemd. In paragraaf 1 wordt uiteengezet wat consensusbesluitvorming wl en wat het niet is. Het laatste is van belang omdat veel mensen denken dat de eis van consensus elke gezamenlijke besluitvorming onmogelijk maakt. Paragraaf 2 geeft positieve redenen voor consensusbesluitvorming, en laat zien wat afwijzing ervan betekent. Paragraaf 3 bespreekt een lijst met meer dan 10 suggesties waarmee de kloof tussen de huidige besluitvormingswerkelijkheid en consensusbesluitvorming geleidelijk kan worden overbrugd.

Het begrip "verantwoord" en zijn samenstellingen heeft vele betekenissen. In paragraaf 4 wordt voorgesteld om de toepassing te beperken tot gevallen waarin er in beginsel daadwerkelijk verantwoording afgelegd moet worden, en degene(n) aan wie verantwoording verschuldigd is daar een bindend oordeel over uit kan of kunnen spreken. De paragraaf probeert te verklaren hoe het komt dat begrippen met het woorddeel "verantwoord" de afgelopen twee eeuwen zo in zwang zijn gekomen.

Mensen proberen verantwoordelijk te handelen, en rekening te houden met van alles en nog wat. In beide gevallen beslist een eenling of kleine groep over een zaak die kennelijk ook anderen aangaat. Die anderen ondervinden gevolgen van het besluit, maar nemen niet deel aan de besluitvorming. Paragraaf 5 gaat nader in op het "rekening houden met". In de volgende, laatste, paragraaf van hoofdstuk 8 wordt gezocht naar zinnige definities voor woordkombinaties als maatschappelijke verantwoordelijkheid en taakverantwoordelijkheid.

Het negende en laatste hoofdstuk gaat over recht. Voornamelijk over het recht inzake aansprakelijkheid, onrechtmatige daad en het strafrecht. De eerste paragraaf schetst de functie van het recht, belangrijke onderscheidingen in het recht, rechtsbeginselen en de strafrechtspleging. Er wordt gewezen op het vraagstuk van aansprakelijkheid en op verschillen en overeenkomsten tussen het strafrecht en het recht inzake onrechtmatige daad. (Het laatste betreft handelingen die in strijd zijn met het recht en die niet onder specifieke bepalingen vallen). Paragraaf 2 bespreekt een aantal aspecten van het huidige strafrecht. Het schetst de mogelijke straffen, het vraagstuk van de schadevergoeding en signaleert een aantal rechtsongelijkheden. Paragraaf 3 analyseert de belangrijkste pogingen tot fundering van het strafrecht. Het blijkt dat er geen theorie bestaat die laat zien dat het huidige strafrecht algemeen bindend is. In paragraaf 4 worden verschillende aspecten van het strafrecht geanalyseerd in het licht van de beginselen uit hoofdstuk 7. Er wordt nagegaan hoe eventuele strijdigheden met behulp van die beginselen uit de weg kunnen worden geruimd. Het recht betreffende enkele gevallen met bijzondere opsporingsproblemen wordt in wat meer detail onderzocht.

Terug naar het begin.
Terug naar de hoofdpagina.
Naar de inleiding.
Naar de samenvatting.
Naar het recht van de logica.
Naar de aanbevelingen.