HET RECHT VAN DE LOGICA

INLEIDING

De invloed die mensen op elkaars leven uitoefenen is in de loop der eeuwen onophoudelijk toegenomen, en in een steeds sneller tempo. Het niet altijd geweest zoals het nu is. Tegenwoordig ondervinden mensen meer gevolgen van elkaars gedrag dan ooit tevoren. De belangrijkste oorzaken hiervan zijn de volgende:

  1. De toename van de bevolkingsdichtheid. Op dezelfde planeet leven veel meer mensen. Ze wonen en werken gemiddeld dichter bij elkaar. Dit leidt onder andere tot tekorten aan landbouwgrond, bedrijfsterrein en natuurgebied, en tot moeilijkheden bij de aanleg van nieuwe wegen. Meestal doen mensen dingen omdat ze denken dat die ergens goed voor zijn. Door de grotere bevolkingsdichtheid veroorzaken echter vooral moderne activiteiten voor steeds meer mensen hinder. Bijvoorbeeld door het gebruik van machines en transportmiddelen, en de lozing van afvalstoffen.
  2. De toename van de verscheidenheid aan produkten, diensten, en specialisatie. Mensen produceren en gebruiken een steeds groter pakket produkten en diensten. Tegelijkertijd worden steeds meer verschillende soorten werk over steeds meer verschillende mensen verdeeld (specialisatie). Daardoor heeft iedereen met een steeds grotere kring mensen te maken gekregen. Zo ondervindt iedereen gevolgen van de manier waarop functies bij overheden vervuld worden. Terwijl een meerderheid van die functies 200 jaar geleden nog in het geheel niet bestond.
  3. De toename van technische hulpmiddelen en het gebruik daarvan. Het vermogen van een enkel mens om invloed uit te oefenen op zijn omgeving is door de toename van de technische hulpmiddelen veel groter geworden. Voorbeelden zijn: de transport- en communicatiemiddelen, en gentechnologie. Extreme voorbeelden van de desastreuze invloed die een enkeling kan hebben als gevolg van het gebruik van technische hulpmiddelen zijn het gebruik van automatische, chemische, biologische en kernwapens, en de verwerking van extreem gevaarlijke grondstoffen in voedingsmiddelen die zeer wijd verspreid worden.
  4. De hierarchisering van de samenleving. Het aantal mensen dat werkzaam is in hierarchische organisaties is sterk toegenomen ten opzichte van het aantal mensen in vrije beroepen. De relaties tussen organisaties worden hierarchischer. Daardoor is het vermogen van sommige enkelingen om invloed uit te oefenen op de samenleving enorm veel groter geworden. Het extreme maar bepaald niet uitzonderlijke voorbeeld is de totalitaire staat. Daarin worden de technische en organisatorische mogelijkheden maximaal uitgebuit. Denk in het bijzonder aan de massavernietigingsstelsels van het Derde Rijk, de Sovjet Unie, de Volksrepubliek China, Cambodja en vele staten in Afrika. Maar ook de omvangrijke regelgeving, premie- en belastingheffing in democratieën zijn alleen mogelijk door kombinatie van betrekkelijk nieuwe technische hulpmiddelen en een omvangrijk hierarchisch staatsapparaat.
  5. De groei van de overheden: de toename van het deel van de activiteiten dat door hen bepaald wordt. De groei van overheden manifesteert zich in wet- en regelgeving en het uitgeven van belastingopbrengsten. Een eeuw geleden betrof het laatste minder dan 10% van het nationaal produkt. Nu ongeveer de helft.
    In de jaren 1990 zijn er miljoenen dieren vernietigd. Runderen in verband met BSE (1996), varkens in verband met MKZ (1997 en 2001), en kippen in verband met dioxine (1999). De enorme schaal van deze vernietigingscampagnes kan worden verklaard uit een combinatie van de factoren genoemd in c tot en met e.

Mensen oefenen ook invloed op elkaar uit doordat ze elkaars niet-menselijke omgeving veranderen. De aanleg van een snelweg kan een zondagse boswandeling onmogelijk maken. Bijvoorbeeld als het door de aanleg van die weg een uur in plaats van een kwartier kost om er te komen. En de stilte is natuurlijk volkomen verdwenen. Ook dit soort indirecte invloeden is in de loop der eeuwen enorm toegenomen. Atmosfeer en biosfeer worden steeds grootschaliger veranderd. Zonder dat de gevolgen van die veranderingen op een betrouwbare manier voorspeld kunnen worden. Catastrofes lijken waarschijnlijk, maar het besef daarvan verhindert niet dat de betreffende activiteiten ongehinderd doorgaan of zelfs uitgebreid worden. Uiteindelijk hebben de gevolgen voor de omgeving ook weer gevolgen voor mensen. Maar de vraag of degenen die nu van de betreffende activiteiten profiteren te zijner tijd ook voor de kosten van eventuele rampen opdraaien wordt nauwelijks gesteld. Laat staan dat er voorzieningen voor worden getroffen.

Als gevolg van de genoemde ontwikkelingen ondervinden mensen steeds meer gevolgen van elkaars handelen. Niet iedereen waardeert die gevolgen even positief. Dat hoeft niet te verbazen. Mensen verschillen namelijk niet alleen van mening over onbeduidende zaken, maar ook over normen voor gedrag die ze belangrijk vinden. In het bijzonder voor gedrag dat consequenties heeft voor anderen. Zolang dergelijke verschillen blijven bestaan is het niet meer dan logisch dat maatschappelijke spanningen en conflicten toenemen naarmate het gedrag van de ene mens meer consequenties heeft voor het leven van anderen. Vandaar het belang van de volgende vragen:

  1. Kan worden vastgesteld welk menselijk handelen dat gevolgen heeft voor anderen goed of slecht is? Kan dat op een zodanige manier dat ieder redelijk mens zich daarbij neer zou moeten leggen?
  2. Als dat niet zo is, waar kunnen of moeten dan de grenzen van de vrijheid worden gelegd, en waarom?
  3. Aan welke risico's mogen mensen elkaar blootstellen, en waarom?
  4. Hebben mensen plichten tegenover elkaar? Welke? Waarom?
  5. Wat moeten mensen van elkaar verdragen, en waarom?

Overeenstemming over de antwoorden lijkt noodzakelijk om spanningen en conflicten te voorkomen. We gaan daarom op de eerste plaats na over wat voor soort zaken redelijkerwijs overeenstemming mogelijk moet zijn, en hoe die overeenstemming dan bereikt kan worden. Daarbij zal blijken dat er gevallen zijn waarin er in beginsel geen overeenstemming bereikbaar is (en waarin die overeenstemming ook feitelijk niet bestaat). Gezocht wordt naar manieren waarop met zulke situaties omgegaan kan worden. Ondertussen zal worden geprobeerd om antwoorden te vinden op de andere vragen.

Het belangrijkste doel van dit boek bestaat uit het vinden van beginselen waarop een vreedzame samenleving kan worden gefundeerd. In het bijzonder van beginselen die om logische redenen door iedereen aanvaard zouden moeten worden. Omdat het niet waarschijnlijk lijkt dat enig beginsel door iedereen metterdaad aanvaard of nageleefd zal worden wordt ook nagegaan of er een logische rechtvaardiging te vinden is voor het gebruik van dwang of geweld, in het bijzonder om dwang en gebruik van geweld tot een minimum te beperken.

Nagegaan zal worden wat de gevonden beginselen voor consequenties hebben, in het bijzonder voor de normen voor sociaal gedrag. Onder sociaal gedrag wordt daarbij verstaan: gedrag van mensen tegenover elkaar. Onderzocht zal worden hoe die consequenties zich verhouden tot de sociale werkelijkheid en het recht. Het recht kan beschouwd worden als het belangrijkste deel van de sociale werkelijkheid. Het bestaat voor het grootste deel uit normen voor sociaal gedrag. Als die normen van toepassing zijn dient iedereen zich er aan te houden. Voor het overige is iedereen vrij. Onderzocht zal worden hoe het recht veranderd kan worden om het meer in overeenstemming te brengen met de gevonden beginselen.

Het volgende is bedoeld als eerste kennismaking met de belangrijkste ideeën uit dit boek. Het geeft een schets van de manier waarop geprobeerd zal worden om de gestelde vragen te beantwoorden. Ook wordt een beeld gegeven van het soort veronderstellingen dat gemaakt en niet gemaakt zal worden. Verder worden er enkele resultaten genoemd. Alle aangesneden onderwerpen komen in latere hoofdstukken uitgebreider terug. Hier wordt niet op details ingegaan. Er wordt niet geprobeerd om alles volledig uit te leggen. Het gaat er vooral om dat een aantal begrippen en gedachten niet geheel nieuw meer voor u zijn als u ze verderop tegenkomt.

Het is duidelijk waarom mensen overeenstemming belangrijk vinden. In het bijzonder als ze medewerking van anderen nodig hebben. Maar ook als ze dingen doen die consequenties voor anderen hebben. Dan hebben ze 't liefst dat die anderen daar geen bezwaar tegen hebben, of er in ieder geval geen actie tegen (kunnen) ondernemen.

De wenselijkheid van overeenstemming hangt nauw samen met de wenselijkheid van vrede en gemak. Controversieel gedrag wordt liever vermeden of verborgen gehouden. Gebrek aan overeenstemming betekent kans op verzet en de noodzaak van inspanningen. Overheden beroepen zich graag op een "maatschappelijk draagvlak", dus op behoorlijk algemene instemming. Dat vergroot de legitimatie van het eigen optreden, en vermindert de legitimiteit van verzet. Als ze regels vaststellen waarover geen overeenstemming bestaat, dan moeten ze organisaties instandhouden die het gewenste gedrag afdwingen, of ze groter maken.

Wellicht zijn er mensen die menen dat conflicten een goede methode zijn voor het vinden van een oplossing van bepaalde sociale vraagstukken. Het conflict is dan geen doel maar middel. Als het vraagstuk maar op één manier opgelost kan worden, dan moet het conflict logischerwijs gericht zijn op overeenstemming over de ene oplossing, of op iets als de overwinning van het beste alternatief. Mensen die conflict als methode voorstaan kunnen het nog steeds wenselijk vinden dat er over het gebruik van die methode overeenstemming bestaat. Wezenlijk anders wordt het pas als mensen menen conflicten op te mogen dringen aan mensen die daar bezwaar tegen hebben. Over die opvatting komen we te spreken in deel 3.

De ervaring leert dat het wensen van overeenstemming niet voldoende is om haar te bereiken. Vaak lijkt overeenstemming zelfs onbereikbaar. Er zijn dan ook allerlei manieren bedacht om het zonder te kunnen stellen, en verhalen om dat te kunnen rechtvaardigen. We zullen ons hier op de eerste plaats gaan bezighouden met de vraag hoe het komt dat overeenstemming zo moeilijk te bereiken is. Veel mensen denken dat "redelijke mensen" het in beginsel altijd met elkaar eens kunnen worden. Deze veronderstelling lijkt door allerlei waarnemingen gesteund te worden. Onder andere door het feit dat mensen er vaak in slagen om door middel van onderhandelen tot overeenstemming te komen. Deze overeenstemming is echter onvolledig. Onderhandelingen zijn succesvol als alle onderhandelingspartijen een akkoord positief waarderen. Ze hoeven het akkoord echter niet precies even positief te waarderen (gesteld dat dat vastgesteld zou kunnen worden). In deze zin is de overeenstemming kwalitatief en niet kwantitatief. De illusie dat "redelijke mensen" het in beginsel altijd met elkaar eens kunnen worden wordt verder ondersteund door de schijnbare overeenstemming over de manieren waarop gebrek aan overeenstemming in de praktijk wordt toegedekt. Namelijk door een beslissing van een hierarchisch bovengeschikte of door een besluit bij meerderheid van stemmen. Er hoeft dan alleen overeenstemming te bestaan binnen een meerderheidscoalitie of de top van een hierarchische organisatie. En zelfs de noodzaak van die beperkte overeenstemming wordt vaak omzeild door procedurele afspraken. Bijvoorbeeld over taakverdeling en vrijheid van handelen op het eigen werkterrein. Door het beëindigen van een discussie zonder dat er overeenstemming is bereikt, en het starten van een discussie over een nieuw onderwerp kan het bestaan van een verschil van mening worden vergeten, en kan de illusie blijven bestaan dat voortzetting tot overeenstemming zou leiden. Daadwerkelijke voortzetting zou echter in de meeste gevallen laten zien dat dit niet het geval is. Denk bijvoorbeeld aan godsdiensttwisten.

We zullen zien dat de gedachte dat redelijke mensen met praten altijd overeenstemming kunnen bereiken in zijn algemeenheid onjuist is. Althans dat deze gedachte elke fundering mist. Met name als er waarden in het geding zijn kan er niet van uit worden gegaan. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de beoordeling van menselijke activiteiten. Overeenstemming mag "redelijkerwijs" alleen verwacht worden voor een categorie uitspraken die onder andere uitspraken over feitelijkheden omvat. Overeenstemming kan dan bereikt worden door logisch redeneren. Ook kan er overeenstemming worden bereikt als er overeenstemming bestaat over de normen en waarden die terzake in het geding zijn. Dat er in deze gevallen overeenstemming bereikt kan worden heeft een strikt logische reden. Voor uitspraken die niet tot de bedoelde categorie behoren ontbreekt deze reden. Dat is bijvoorbeeld het geval bij waardeoordelen ("Kennis is goed") en andere meningen ("De overheid moet meer bevoegdheden krijgen"). Niet alleen ontbreekt dan de reden op grond waarvan overeenstemming verwacht mag worden. Er zijn zelfs redenen om aan te nemen dat elke opvatting even legitiem is. In die zin dat niet uitgemaakt kan worden of de ene mening beter is dan de andere. Of wat dat "beter" inhoudt. Laat staan dat de enig juiste mening bepaald zou kunnen worden.

Er zijn dus twee manieren om tot overeenstemming te komen: logisch redeneren op basis van gedeelde uitgangspunten, en onderhandelen. Vaak worden ze gecombineerd. De methoden zijn niettemin wezenlijk verschillend. Het is opmerkelijk dat er niet meer van zulke methoden zijn.

Als verschillen van opvatting over bepaalde typen uitspraken niet door logisch redeneren de wereld uit geholpen kunnen worden, dan is het duidelijk dat een discussie daarover oneindig lang kan duren. In een discussie wordt immers gezocht naar logische argumenten en redeneringen. Als die niet bestaan zullen ze ook niet gevonden worden. Hoe lang er ook naar gezocht wordt. Omgekeerd kan het waarnemingsfeit dat sommige discussies eindeloos lang duren soms verklaard worden uit de onmogelijkheid om langs de weg van redelijke discussie tot overeenstemming te komen. Om onnodig tijdverlies en verslechtering van verhoudingen te voorkomen is het dus nuttig om van tevoren vast te kunnen stellen wat de mogelijkheden zijn voor het bereiken van overeenstemming. Dat kan bovendien tijd scheppen voor het bedenken van andere oplossingen.

Als gebrek aan overeenstemming een probleem is, dan komt dat meestal doordat er aan verschillende opvattingen verschillende praktische consequenties verbonden zijn, en doordat het niet mogelijk is om tegelijkertijd meer dan één van die opvattingen daadwerkelijk te respecteren. In dat soort gevallen kunnen er naast de discussie over de inhoud van het vraagstuk nog twee andere discussies gevoerd worden. Namelijk die over het al dan niet bestaan van meerdere oplossingen, en die over de manier waarop één van de oplossingen geselecteerd moet worden als duidelijk is dat er meerdere oplossingen mogelijk zijn.

Bekijk ter verduidelijking een discussie over een omstreden activiteit, zoals de aanleg van een nieuw vliegveld of een nieuwe toepassing van gentechnologie. Dan kan er op de eerste plaats getwist worden over de vraag of deze activiteit goed of wenselijk is, welke risico's ze met zich meebrengt, of ze binnen perken gehouden moet worden en dergelijke. Daarnaast kan de vraag worden gesteld of er op deze vragen antwoorden bestaan waar iedereen het om één of andere reden mee eens zou moeten zijn. Zoals op de vraag of 1+1 twee is. Als zo'n soort antwoord niet bestaat, dan kan de vraag worden gesteld hoe de eerste vraag dan wèl beantwoord moet of mag worden, en waarom dat antwoord ook door tegenstanders gerespecteerd zou moeten worden. De laatste twee typen vragen komen aan de orde in de eerste twee delen van dit boek. Inhoudelijk zal op de vraagstukken die in de voorbeelden zijn aangestipt niet worden ingegaan. Wel zal worden gewezen op logische aspecten van die vraagstukken, van voorgestelde oplossingen en van de besluitvorming erover.

Het inzicht dat redelijke mensen niet altijd tot overeenstemming kunnen komen, en dat er niet voor elk vraagstuk een oplossing bestaat die voor zulke mensen aanvaardbaar is, schept natuurlijk een probleem. Want hoe moet een samenleving worden georganiseerd als mensen over allerlei belangrijke zaken van mening mogen verschillen en in beginsel niet gebonden zijn door besluiten die anderen voor hen genomen hebben? Het fundament van het antwoord wordt gelegd in deel 1. Dat begint heel eenvoudig met de constatering dat samenleven en samenwerken beginnen met communicatie. En dat communicatie niet vanzelfsprekend is. Het veronderstelt een afspraak tussen de communicanten. Als ze zo'n afspraak niet hebben gemaakt, dan kunnen ze die beter zo snel mogelijk zien te maken. Anders weten ze niet wat ze aan de uitingen van de ander hebben, ook al denken ze dat. De afspraken die voor zinvolle communicatie nodig zijn houden veel meer in dan doorgaans wordt beseft. De wens of bereidheid tot communicatie legt plichten op en geeft rechten die het spiegelbeeld zijn van de plichten. Deze rechten en plichten zijn een randvoorwaarde voor een communicerende samenleving. Maar ze zeggen onvoldoende over de manier waarop een vreedzame samenleving kan worden gerealiseerd. Daarvoor zijn aanvullende beginselen nodig. Die worden in deel drie besproken. Ze sluiten nauw aan bij algemeen gedeelde opvattingen. Het zijn er drie: het subjectiviteitsbeginsel, het vrijwaringsrecht en het wederkerigheidsbeginsel.

Het subjectiviteitsbeginsel houdt het volgende in:

  1. dat er geen objectieve normen en waarden bestaan;
  2. dat ieder mens het recht heeft om zelfstandig (vrij) te oordelen;
  3. dat aan de waardeoordelen van verschillende mensen geen verschillende betekenis mag (of kan) worden gehecht.

Hier is niets vreemds aan. Het enige bijzondere is dat we deze drie veronderstellingen gezamenlijk een naam geven, nl. subjectiviteitsbeginsel. Bovendien zullen we niet rusten voordat we een stelsel normen voor sociaal gedrag hebben gevonden dat het respecteert en toereikend is.

Het vrijwaringsrecht is het recht om gevrijwaard te worden van de gevolgen van andermans handelen. Het wederkerigheidsbeginsel beperkt iemands rechten tot de rechten die hij aan anderen geeft, en zijn plichten tot de plichten die anderen nakomen ten opzichte van hem. Het gaat ervan uit dat rechten alleen bestaan als ze gegeven zijn, en plichten alleen als ze aanvaard zijn. Niemand heeft dus "objectieve" rechten of plichten. Degene die afspraken over zijn rechten en plichten schendt kan er in beginsel ook geen aanspraak meer op maken.

In tegenstelling tot het geldende recht zijn het vrijwaringsrecht en het wederkerigheidsbeginsel in overeenstemming met subjectiviteitsbeginsel.

Het vrijwaringsrecht geeft aan mensen die ongewenste gevolgen van activiteiten ondervinden een vetorecht over die activiteiten. Dat dwingt tot overleg tussen betrokkenen, en tot compensatie en afspraken. Misbruik van het vetorecht wordt in beginsel verhinderd door de communicatieafspraak. Die eist namelijk consistentie. In deel 3 zal duidelijk worden gemaakt dat deze drie eenvoudige normen een toereikende basis vormen voor de organisatie van een vreedzame samenleving. Tegelijkertijd ondervangen ze alle problemen die in het bovenstaande zijn aangestipt.

Vrijwaringsrecht, subjectiviteits- en wederkerigheidsbeginsel hebben geen objectief karakter. Wel zijn ze een logisch gevolg van breed aanvaarde beginselen. Waarschijnlijk zult u ze op het eerste gezicht vanzelfsprekend vinden. Toch zijn de meeste moderne maatschappelijke regelingen ermee in strijd. Ook ú zult vast wel moeite hebben met het vetorecht. De consequenties van de "vanzelfsprekende" beginselen zijn inderdaad vergaand. Ze geven echter alleen problemen als gevolg van de ontwikkelingen die genoemd zijn in het begin van deze paragraaf. Dus doordat mensen de dingen die ze willen doen bijna niet meer zodanig kunnen organiseren dat anderen er geen last van hebben of krijgen. In tegenstelling tot vroeger zijn er tegenwoordig heel veel activiteiten die hinder en risico veroorzaken. Volgens het vrijwaringsrecht vereisen zulke activiteiten voorafgaand overleg en overeenstemming met potentieel betrokkenen. De vrijheid van handelen wordt er dus aanzienlijk door beperkt. Zodra mensen zich deze consequenties realiseren zien ze duizend en één bezwaren. Ze beginnen zich dan te gedragen alsof ze met alle geweld willen aantonen dat het onmogelijk anders of beter kan dan in het Nederland van 2000. De normatieve druk van de werkelijkheid is onvoorstelbaar groot. Toch zouden veel van de verschijnselen en ontwikkelingen die door dezelfde mensen als ongewenst worden beschouwd onmogelijk zijn als vrijwaringsrecht, subjectiviteits- en wederkerigheidsbeginsel door het recht werden gerespecteerd. Het is waar dat daarvoor een prijs betaald moet worden. Anderen moeten meer rekening houden met u, maar u ook met anderen. Veranderingen zullen langzamer gaan, maar met echt in plaats van verbaal respect voor ieder mens. Het vrijwaringsrecht eist aansprakelijkheid voor risico's. Daardoor wordt de kans op het voortbestaan van de mensheid en het leven op aarde aanmerkelijk vergroot. De prijs die betaald moet worden voor de huidige vrijheid-zonder-aansprakelijkheid is enorm veel hoger of zelfs onbetaalbaar.

De genoemde normen, incl. de communicatieafspraak, hebben een bijzondere eigenschap. Hun bruikbaarheid hangt namelijk niet af van algemene aanvaarding, of van aanvaarding door een meerderheid. Wie dat wil kan ermee bepalen hoe hij zich tegenover anderen hoort te gedragen, ook als een meerderheid van die anderen daar anders over denkt. Dat komt door het wederkerigheidsbeginsel. Dat is speciaal geformuleerd als antwoord op de vraag naar het gedrag tegenover andersdenkenden. Zo'n antwoord is noodzakelijk omdat je in de praktijk niet alleen moet weten hoe het hoort, maar ook wat er gedaan moet worden als sommigen andere normen en waarden hanteren. Een ethische theorie die daarin niet voorziet is niet toereikend voor de praktijk. Staten hebben dan ook zonder uitzondering de stelsels normen van godsdiensten aangevuld. In het bijzonder met strafrecht. Godsdiensten kan een normatief karakter bepaald niet worden ontzegd. Maar normen voor strafrecht hebben ze alleen bij uitzondering gegeven, en dan nog alleen voor bijzondere misdrijven. Toch is duidelijk dat in de praktijk niet kan worden volstaan met het voorschrift dat iets niet mag zonder enige consequentie te verbinden aan niet-naleving. (Althans als dat voorschrift een consequentie is van het vrijwaringsrecht). Het bevoordelen van slecht gedrag is per definitie slecht. Ongeacht de definitie van "slecht".

Strikt genomen is dit boek geen pleidooi voor een bepaald stelsel normen en waarden. Het mondt niet uit in voorschriften en zegt niet hoe het moet. Nog nooit is iemand er in geslaagd om te bewijzen dat een bepaalde norm nageleefd moet worden zonder aanvechtbare aannames te maken. Bovendien is er reden om aan te nemen dat dat ook niet mogelijk is. Daarom wordt hier niet gezocht naar argumenten voor bepaalde normen of waarden. In plaats daarvan wordt geprobeerd om voorwaardelijke stellingen af te leiden of te bewijzen. Dat wil zeggen: stellingen van het type "Als.., dan.. ". Op "Als" volgen dan de betreffende aannames. Om de relevantie van de stellingen zo groot mogelijk te maken worden aannames gemaakt die door de meeste mensen onderschreven worden.

De stellingen kunnen worden gebruikt om na te gaan of gegeven gedrag en uitspraken met elkaar te rijmen vallen. Ze laten zien welke eisen aan gedrag en regelingen gesteld moeten worden als vrijwaringsrecht en wederkerigheidsbeginsel worden aangenomen. Dat leidt tot een verzameling (afgeleide) normen voor besluitvorming en recht. In het bijzonder voor aansprakelijkheidsrecht en strafrecht.

De meer fundamentele redeneringen in dit boek zijn niet alleen van toepassing op mensen, maar op de relaties tussen alle wezens. Ook op relaties tussen wezens van verschillende soorten. Sommige van de redeneringen wijken af van de gangbare. De vraag is dan hoe u zich kunt onttrekken aan de normerende druk van het actuele gedachtengoed. Misschien gaat dat makkelijker als u probeert de beweringen in dit boek toe te passen op relaties met dieren of met oppermachtige buitenaardse invallers. Vindt u bijvoorbeeld dat de laatsten het recht hebben om alle mensen in een deel van de Sahara te concentreren, en de rest van de aarde voor zichzelf te reserveren (omdat ze vinden dat zij de aarde veel beter kunnen beheren)? En als u vindt dat zij dat recht niet hebben, waarom dan niet?

Misschien bent u gevoeliger voor autoriteit. In dat geval roep ik de hulp in van niemand minder dan Voltaire. In de inleiding van zijn Geschiedenis van het parlement van Parijs uit 1769 zegt hij het volgende:

«Het kennen en spreken van de waarheid vereist vrijheid. Wie gehinderd wordt door verplichtingen aan zijn bovengeschikten of beroepsgroep moet er het zwijgen toe doen. Wie zich niet los kan maken van partijgeest wordt het instrument van dwalingen. Degenen die op zoek zijn naar betrouwbare informatie over wat dan ook, moeten zoveel mogelijk proberen hun vooroordelen en zwakheden terzijde te schuiven. Ze moeten bedenken dat geen enkele organisatie, geen enkele regering, geen enkele institutie uit het heden gelijk is aan wat het geweest is. Ze zijn altijd veranderlijk geweest en zullen dat altijd blijven».

Om uw nieuwsgierigheid niet onnodig op de proef te stellen en u een idee te geven van de betreffende denkbeelden wordt deze inleiding besloten met een samenvatting van de antwoorden op de vragen die in het begin gesteld werden.

Er zijn goede redenen om aan te nemen dat niets moet. Dus dat er geen objectieve normen en waarden zijn.

Mensen die met elkaar willen praten moeten een afspraak maken over een taal: de taalafspraak. Vanwege die afspraak moeten ze het eens kunnen worden over empirie en logica.

De taalafspraak omvat ook normen en waarden. Mensen die het over het taalgebruik eens zijn hoeven het niet eens te kunnen worden over andere normen en waarden. Die kunnen in beginsel vrij worden gekozen. Met dien verstande dat de taalafspraak consistentie vereist, ook van normen en waarden.

Het ontbreken van objectieve normen en waarden betekent niet alleen dat mensen zelf moeten zien te bepalen waaraan ze zich willen houden, maar ook dat degene die handelt in strijd met beginselen die hij zegt te huldigen, geen grond meer heeft om van anderen consistentie te eisen.

Rechten en plichten kunnen mensen alleen samen scheppen, en wel door daar afspraken over te maken. Afspraken zijn de enig logisch houdbare grond voor sociale normen en waarden. Door het schenden van de betreffende afspraken valt die grond weg. Wie de afspraken schendt kan daarom van anderen geen naleving eisen. Hij kan ze alleen afdwingen, bijvoorbeeld met geweld of de dreiging daarmee.

Er zijn twee voorwaarden voor vreedzaam naast elkaar bestaan. Ten eerste daadwerkelijke erkenning van het persoonlijke (subjectieve) karakter van normen en waarden. Ten tweede daadwerkelijke erkenning van het recht om gevrijwaard te worden van de gevolgen van andermans handelen.

Voor meer informatie wordt verwezen naar de samenvatting en het boek.

Terug naar het begin.
Terug naar de hoofdpagina.
Naar de beschrijvende inhoudsopgave.
Naar het recht van de logica.
Naar de aanbevelingen.