HET RECHT VAN DE LOGICA

In het volgende wordt onder de taalafspraak een afspraak verstaan die bestaat uit twee delen. Het ene deel is een afspraak over de wijze waarop betekenissen door middel van taaluitingen onder woorden gebracht kunnen worden, en over de betekenis van taaluitingen. Dit omvat afspraken over het woordenboek en de grammatica. Het andere deel is de belofte om zo goed mogelijk onder woorden te brengen wat als juist of correct wordt beschouwd. Zonder zo'n belofte zijn er wel sprekers, maar is er geen communicatie.

Logische gronden zijn gedefinieerd als gronden die ontleend zijn aan de taalafspraak. Logisch is datgene waarvan de ontkenning een strijdigheid met de taalafspraak oplevert. Met het recht van de logica worden alle eigenschappen van het recht bedoeld die volgen uit de taalafspraak. Het recht van de logica omvat met andere woorden al datgene dat op logische gronden over het recht gezegd kan worden.

De bruikbaarheid van een taal vereist consistentie van die taal. Als een taal consistent is, dan is het mogelijk om:

  1. objectief ware als-dan-uitspraken te doen over verbanden tussen bijvoorbeeld bepaalde normen en waarden en gedragsregels. De stellingen over vrijwaringsrecht en wederkerigheid zijn hier voorbeelden van;
  2. objectief ware uitspraken te doen over strijdigheden tussen uitspraken. Bijvoorbeeld beweringen over de subjectiviteit van waardeoordelen, vooruitgang, gelijkberechtiging, meerderheidsbesluitvorming en aansprakelijkheidsrecht.

Als een taal gegeven is, dan volgt uit de afspraak om die taal te gebruiken als communicatiemiddel onder meer:

  1. het recht dat volgt uit de taalafspraak. Zoals de plicht om afspraken na te komen;
  2. dat het recht geen tegenstrijdigheden mag omvatten. Zoals het toestaan van bedrog;
  3. dat recht niet in strijd mag zijn met empirische kennis. Bijvoorbeeld over de autonomie van organismen of groepen organismen;
  4. dat het recht van de logica niet afhankelijk is van meningen over dat recht.

Ad 1. De taalafspraak houdt in dat taaluitingen worden gebruikt in de afgesproken betekenis. "We beginnen om 14u" betekent: "We beginnen om 14u".

Ad 2. Tegenstrijdigheden tussen uitspraken betekenen schending van de taalafspraak. Dat is alleen toelaatbaar als die afspraak niet bindend is. Maar als ze niet bindend is, dan is het recht niet eenduidig gedefinieerd. In het spraakgebruik wordt met recht natuurlijk zo eenduidig mogelijk recht bedoeld. Dus moet 2 gelden.
Tegenstrijdige rechtsregels kunnen worden "gered" door n of enkele van die regels "regel" te noemen, en de andere "uitzondering(en)". Voor de uitzondering kunnen wellicht argumenten worden gegeven. De strijdigheden kunnen worden opgelost met behulp van (hogere) normen of waarden waarvan zowel regels als uitzonderingen afgeleid kunnen worden. Maar als die hogere normen en waarden niet bekend zijn of niet bestaan, dan wordt de constatering van tegenstrijdigheid niet gefalsifieerd en kan gesproken worden van willekeur. Ook het recht om uitzonderingen te mogen maken behoeft fundering.

Ad 3. Punt drie volgt uit de constatering dat de taal gedefinieerd is in termen van de empirie. Als het recht strijdigheden met de empirie omvat wordt de taalafspraak geschonden en nutteloos gemaakt. En voor geval de strijdigheden van het recht een weerspiegeling zijn van strijdigheden van de taal is het betreffende deel van het recht en de taalafspraak betekenisloos en dus niet bindend.

Op logische gronden kunnen over het recht de volgende uitspraken worden gedaan.

  1. Mensen hebben geen a priori rechten of plichten. Rechten en plichten ontstaan pas door het maken van een taalafspraak.
  2. Mensen die met elkaar willen communiceren zijn gebonden aan de logische consequenties van de afspraak over de communicatie, maar aan niets anders. Instemming met de taalafspraak laat hen vrij in al die (waarde)oordelen die zich verdragen met de taalafspraak.
  3. De taal definieert een scheidslijn tussen zaken waarover communicanten het eens moeten kunnen worden, en zaken waarover zij van mening kunnen blijven verschillen ook al houden ze zich aan de taalafspraak.
  4. Het recht van de logica is bindend voor iedereen die vrijwillig communiceert.
  5. Het opleggen van normen of waarden die niet in de taalafspraak zijn begrepen en niet uit de taalafspraak volgen, is in strijd met het recht van de logica. Het recht van de logica houdt in dat mensen alleen gebonden zijn aan de normen of waarden waarmee ze hebben ingestemd, en aan de normen of waarden die daaruit kunnen worden afgeleid op basis van andere uitspraken waarmee ze hebben ingestemd.
  6. Rechten en plichten beginnen met een vrijwillige taalafspraak. Zonder vrijwilligheid kan niet worden gesproken van een afspraak. Er is alleen sprake van vrijwilligheid als men kan kiezen met wie men wil communiceren. Waar de communicatie onvrijwillig is kunnen aan het al dan niet nakomen van de taalafspraak geen logische consequenties worden verbonden.
  7. Wie instemt met communicatie, en daartoe (bijvoorbeeld) de taalafspraak onderschrijft, bindt zich daarmee aan alles wat volgens de taalafspraak uit de taalafspraak volgt. (Redeneren is niets anders dan toepassing van de taalafspraak). Er is maar n grond voor binding van communicanten, en dat is het communicatiemiddel.
  8. Recht vooronderstelt een communicatieafspraak. Recht is daarom alleen bindend voor zover het de communicatieafspraak respecteert.
  9. Schending van de taalafspraak betekent het niet vervullen van de plichten die uit de taalafspraak voortvloeien. Daarmee vervalt de grond voor aanspraak op de rechten die uit die afspraak volgen, want de taalafspraak is de enige grond voor die rechten.
    In beginsel is dit een principekwestie, dus een kwestie van alles of niets. Vanwege de grote nadelen die dat met zich meebrengt kan men in de praktijk kiezen voor een proportionele aanpak. Maar het antwoord op de vraag welke specifieke rechten in welke mate verloren gaan bij het niet vervullen van specifieke plichten is in hoge mate subjectief.
  10. In aanvulling op het recht van de logica kunnen er meer rechten en plichten worden afgesproken. Mensen zijn daar alleen aan gebonden als zij ermee hebben ingestemd. Dat geldt ook voor mensen die de taalafspraak aanvaarden en nakomen. Rechten en plichten die niet zijn afgesproken en waarmee niet is ingestemd kunnen alleen worden opgelegd en gehandhaafd met behulp van geweld.
  11. Er kunnen dus tenminste twee rechtsgebieden worden onderscheiden: dat van de taal (de logica), en de rest. Het onderscheid is belangrijk omdat diepgaand verschil van mening over het recht in het tweede gebied kan samengaan met het volledig nakomen van de taalafspraak, dus met zo goed mogelijke communicatie. In de praktijk wordt dit onderscheid nauwelijks gemaakt. Het recht van de logica wordt formeel noch praktisch erkend. Bij politieke discussies wordt de taalafspraak regelmatig geschonden.
  12. Rechten en plichten die uit de taalafspraak volgen behoeven geen overeenstemming. Ze hoeven niet door een meerderheid te worden aangenomen. Het heeft geen zin om te praten over hun wenselijkheid, aanvaardbaarheid, en dergelijke. Want discussie vooronderstelt een taalafspraak, en daarmee de bedoelde rechten en plichten.

Deze stellingen zouden objectief waar moeten zijn. Er zou op logische gronden overeenstemming over moeten zijn, net zoals over stellingen uit de wiskunde. Als u het met een of meer van de stellingen oneens zou zijn, dan moet u hierboven of in hoofdstuk 7 redeneerfouten gaan zoeken (en aan mij doorgeven a.u.b.), bijvoorbeeld door te laten zien dat er bij de afleiding aannames zijn gemaakt die in strijd zijn met de taalafspraak. Van de andere kant kunt u zich afvragen of u zelf geen redeneerfouten hebt gemaakt. Waardeoordelen zijn niet van toepassing op uitspraken die afgeleid zijn op basis van uitsluitend de taalafspraak. Dat wil niet zeggen dat de stellingen boven kritiek verheven zijn. Er is nog nooit een stelling geformuleerd die nooit gecorrigeerd hoefde te worden. Het is daarom vrijwel zeker dat ook de bovenstaande stellingen fouten of foutjes bevatten. Nadat ze gevonden zijn kunnen ze worden gecorrigeerd, wat kan resulteren in betere stellingen. Dit werk hoopt een stap voorwaarts te zijn, maar pretendeert geenszins de laatste stap te zijn.

De geldigheid van vrijwaringsrecht en wederkerigheidsbeginsel is niet afhankelijk van algemene instemming of van het bestaan van een meerderheid van voorstanders. Wie het vrijwaringsrecht niet erkent ontneemt daarmee ook zichzelf dat recht. Het wederkerigheidsbeginsel beschermt zowel schenders van het vrijwaringsrecht als hun slachtoffers. Degene wiens vrijwaringsrecht is geschonden mag niet meer op de schender verhalen dan hem ontnomen is.

Het wederkerigheidsbeginsel is een gelijkberechtigingsbeginsel. Wie het bestrijdt geeft daarmee te kennen van opvatting te zijn dat uit het bestaan van feitelijke verschillen tussen mensen volgt dat mensen verschillende rechten hebben. Maar bijvoorbeeld meer kennis of grotere vaardigheden hebben geen betrekking op de juistheid of waarde van oordelen. Uit specifieke competenties volgen geen rechten, net zomin als spierballen of bommen dat doen.

Er is geen logische oplossing van geschillen over waardeoordelen. Discussies daarover zijn in beginsel eindeloos in letterlijke zin. De autonomie van organismen als mensen is een empirisch gegeven. De subjectiviteit van oordelen is een logisch gevolg van de taaldefinitie. Het betwisten van autonomie van andere mensen en de subjectiviteit van oordelen is daarom in strijd met de taalafspraak. Het is bovendien vragen om moeilijkheden. Want iedereen waardeert inbreuken op zijn persoonlijke welzijn per definitie negatief. De enige logisch deugdelijke fundering van een zo vreedzaam mogelijke samenleving bestaat daarom uit daadwerkelijk respect voor het subjectieve welzijn van anderen, en derhalve van vrijwaringsrecht en wederkerigheidsbeginsel. Dit boek laat zien dat dit weliswaar een behoorlijk ander soort samenleving betekent, maar absoluut niet utopisch is. Wie wil volhouden dat het wl utopisch of onmogelijk is, of om andere redenen niet nagestreefd moet worden, dient te bedenken dat de ervaringen met oorlogen, voortdurende systematische moordcampagnes en enorme milieuveranderingen het zeer aannemelijk maken dat in deze "utopie" de enige overlevingskans van de mensheid besloten ligt, en dat alle bekende "realistische" alternatieven gebaseerd zijn op geweld. Met andere woorden: het zou heel goed kunnen zijn dat er maar twee mogelijkheden zijn: "utopie" of structureel geweld en ondergang. De keus is die tussen het recht van de sterkste en het recht van de logica.

Van de andere kant biedt het werken aan meer algemene realisatie van de genoemde beginselen de mogelijkheid om het respect van volgende generaties te verdienen. Het geeft een levensdoel aan de huidige generaties en, anders dan nu, de kans om te werken aan geloofwaardige vooruitgang.

Terug naar het begin.
Terug naar de hoofdpagina.
Naar de inleiding.
Naar de beschrijvende inhoudsopgave.
Naar de samenvatting.
Naar de aanbevelingen.