HET RECHT VAN DE LOGICA

SAMENVATTING

De inhoudsopgave van de samenvatting op deze pagina is gelijk aan die van het boek:

Deel 1: Vooronderstellingen en gevolgen van taalgebruik.
Communicatie, overeenstemming en taal.
Redeneren.
Collectief redeneren.

Deel 2: Optimaal handelen.
Besluitvorming algemeen.
Besluitvorming met communicatie: onderhandelen.
Collectieve besluitvorming.

Deel 3: Enkele fundamentele normen en waarden en hun gevolgen.
Normen en waarden voor vreedzaam naast elkaar bestaan.
Consensusbesluitvorming. Verantwoordelijk handelen.
Onrechtmatige daad en strafrecht.

Overzicht.

In deel 1 wordt een scheidslijn getrokken tussen zaken waarover communicanten het eens moeten kunnen worden, en zaken waarover zij van mening kunnen verschillen ook al houden ze zich aan hun communicatieafspraak. Als communicanten het eens moeten kunnen worden, dan kunnen ze overeenstemming bereiken door collectief te redeneren.

In deel 2 wordt nagegaan hoe eventueel overeenstemming bereikt kan worden over zaken waarbij subjectieve oordelen een belangrijke rol spelen.

Noch in deel 1 noch in deel 2 worden aannames gemaakt over normen en waarden. In deel 3 worden in zoverre aannames gemaakt over normen en waarden dat wordt nagagaan wat de logische consequenties zijn van gegeven breed gedeelde normen en waarden. De resultaten hebben de vorm van als-dan-uitspraken. De consequenties worden vergeleken met de praktijk.

Terug naar de inhoudsopgave van deze samenvatting.

1. Communicatie, overeenstemming en taal.

Overeenstemming wordt uitgedrukt in termen van een taal. Overeenstemming is alleen zinvol als ze bindend is. Bindende overeenstemming vooronderstelt daarom bindende overeenstemming over de taal. Over de taal en het gebruik daarvan moet dus een afspraak gemaakt worden: een taalafspraak. Deze afspraak heeft twee delen. Ten eerste is het een afspraak over de wijze waarop betekenissen door middel van taaluitingen onder woorden gebracht kunnen worden, en over de betekenis van taaluitingen. Dit omvat afspraken over het woordenboek en de grammatica. Ten tweede is het een belofte om zo goed mogelijk onder woorden te brengen wat als juist of correct wordt beschouwd. Zonder zo'n belofte zijn er wel sprekers, maar is er geen communicatie.

Als er geen overeenstemming bestaat over een taal of een ander communicatiemiddel, dan is er geen reden om te veronderstellen dat er over wat dan ook overeenstemming bereikt kan worden.

Als er wŤl een taalafspraak gemaakt is, dan is er overeenstemming mogelijk over uitspraken die uit de taalafspraak volgen. Omdat een taal wordt gedefinieerd in termen van de empirie geldt dit in het bijzonder ook voor uitspraken over de empirie. Gebrek aan overeenstemming over dergelijke uitspraken is equivalent met gebrek aan overeenstemming over de taalafspraak. Gebrek aan overeenstemming over andere typen uitspraken hoeft niet neer te komen op gebrek aan overeenstemming over de taal. Dit betreft in het bijzonder waardeoordelen (voor zover die geen deel uitmaken van de taalafspraak). Daarvoor zijn er alleen persoonlijke maatstaven. De taalafspraak is compatibel met elk afzonderlijk waardeoordeel.

Uitspraken die uit de taalafspraak volgen worden hier objectief genoemd. Alle andere uitspraken noemen we subjectief. Over objectieve uitspraken is overeenstemming mogelijk tussen mensen die de taalafspraak onderschrijven. Iedereen die de taalafspraak onderschrijft is gebonden aan objectief ware uitspraken. Er is echter geen reden waarom mensen het eens moeten kunnen worden over andere typen uitspraken. Over de juistheid van subjectieve uitspraken kan verschillend worden gedacht zonder dat daardoor een tegenstrijdigheid ontstaat met de taalafspraak. Ondanks vele pogingen is het nog nooit gelukt om van enig (waarde)oordeel te bewijzen dat het door iedereen aanvaard zou moeten worden. Dus dat er een ander zinvol begrip "objectief" bestaat dan in termen van de taalafspraak.

Een begrip kan worden gezien als een kombinatie van een woord of groep woorden enerzijds en een betekenis anderzijds. De betekenis van een begrip is als regel niet volkomen specificeerbaar. De betekenis is altijd enigszins vaag. Er zijn ook begrippen die met opzet vaag worden gelaten, zoals "groot" en "sociaal". De communicatie kan daarmee gediend zijn.

Met behulp van een taalafspraak kunnen uit gegeven beweringen andere beweringen worden afgeleid. Eventueel met gebruikmaking van nieuw ingevoerde begrippen. Deze activiteit noemen we redeneren. Het resultaat van een redenering kan worden neergelegd in een uitspraak van de vorm: "Als (opsomming van de uitgangspunten), dan (opsomming van de conclusies)".

Op basis van de taalafspraak kunnen objectieve stellingen over gedrag worden bewezen. Andere aannames hoeven daarvoor in beginsel niet te worden gemaakt. De stellingen hebben de vorm: "Als de taalafspraak wordt onderschreven en .. , dan ..", of varianten van deze vorm, zoals: "Wie de taalafspraak nakomt en .. mag niet ..". Namelijk omdat hij anders die afspraak niet nakomt.

Een deel van het recht kan worden gezien als bindende definitie van een deel van de taal. Omgekeerd volgt uit een taalafspraak een deel van het recht. In het bijzonder een groot deel van het verbintenissenrecht. Het recht waarborgt daar (tot op zekere hoogte) de naleving van de taalafspraak. De waarneming dat een taalafspraak overeenstemming over een deel van het recht met zich meebrengt kan dienen als verklaring van het verschijnsel dat het betreffende deel van het recht door alle volkeren gedeeld wordt. Een communicatieve samenleving is niet vrij in het definiŽren van bindende rechten en plichten.

In dit boek worden naast de taalafspraak zo min mogelijk andere aannames gemaakt. En als er andere aannames worden gemaakt, dan worden daarmee als-dan-uitspraken geformuleerd die bewijsbaar zijn met behulp van uitsluitend de taalafspraak.

De belangrijkste conclusie van dit hoofdstuk luidt: mensen die willen communiceren moeten overeenstemming kunnen bereiken over uitspraken waarin alleen begrippen staan waarmee aanwijsbare zaken worden aangeduid. Dit omvat ook uitspraken over gespecificeerde uitspraken. Ze hoeven geen overeenstemming te kunnen bereiken over waarderingen.

Terug naar de inhoudsopgave.

2. Redeneren.

Het belang van redeneren is gelegen in de constatering dat mensen die door middel van een taal met elkaar kunnen en willen communiceren, en instemmen met een aantal uitgangspunten, overeenstemming moeten kunnen bereiken over alle uitspraken die door middel van redeneren uit de gegeven uitgangspunten afgeleid kunnen worden. Over zulke uitspraken hoeft dus niet met andere methodes te worden besloten. Dat is van belang omdat besluitvorming over zaken die beredeneerd kunnen worden het risico van tegenstrijdigheden met zich meebrengt, en omdat er geen methodes van collectieve besluitvorming bekend zijn waarvan de deugdelijkheid onomstreden is.

Een redenering is net zo sterk als zijn zwakste schakel. Een enkele fout, hoe klein ook, maakt een redenering in beginsel volkomen onbetrouwbaar. Het is niettemin mogelijk dat de conclusie van een foutieve redenering juist is. Maar de conclusie hoeft dan niet aanvaard te worden op grond van de redenering en de uitgangspunten.

Voorbeelden van redeneringen zijn te vinden in de wiskunde, bij de oplossing van leerboekvraagstukken op het gebied van de natuurwetenschappen, in de wetenschap van de besluitvorming en in het recht. In politiek en pers ziet men echter maar weinig redeneringen in de zin van de definitie. De uitgangspunten, de redeneerstappen en zelfs de conclusie(s) zijn meestal onvolledig gespecificeerd.

Door te redeneren kunnen implicaties worden afgeleid van een gegeven verzameling uitspraken. Door implicaties van verschillende deelverzamelingen uitspraken met elkaar te vergelijken kunnen tegenstrijdigheden worden opgespoord. Nadat is vastgesteld wat aan welke uitspraken mankeert kunnen fouten worden geŽlimineerd. De verzameling uitspraken kan zodoende worden gecorrigeerd.

Strikt genomen voegen redeneringen niets toe aan gekozen uitgangspunten en daarin begrepen kennis. Als conclusies van redeneringen desondanks nieuw lijken, dan kan dat alleen worden verklaard uit menselijke tekortkomingen. Mensen kunnen de implicaties van gegeven kennis en opvattingen slecht overzien. Dit is in overeenstemming met de waarneming dat de resultaten van redeneren in wiskunde, natuurwetenschappen, besluitvormingswetenschap en recht niet door ieder mens in een enkele dag worden bedacht of ook maar gereproduceerd. Ze hebben de mensheid in zijn totaliteit millennia gekost. Er is geen enkele grond voor de bewering dat mensen "slim", "intelligent" zijn in een absolute zin. Er is hoogstens grond voor vergelijkende beweringen. Bijvoorbeeld over mentale vermogens van de meeste mensen ten opzichte van de meeste dieren.

Redeneren kan moeilijk zijn doordat de eis van consistentie betekent dat getoetst moet worden aan veel bestaande kennis, en doordat de oplossing van tegenstrijdigheden eisen stelt aan creativiteit. Conditionering zowel als belangen kunnen er toe leiden dat conclusies niet getrokken worden en tegenstrijdigheden niet gesignaleerd. Redeneren kan ook moeilijk zijn doordat schijnbaar nieuwe resultaten kunnen leiden tot toename van persoonlijk isolement en/of psychische spanningen met de menselijke omgeving.

Er zijn vele soorten redeneerfouten. Er kunnen drie hoofdgroepen worden onderscheiden: fouten in uitgangspunten, implicatiefouten en isolatiefouten. Implicatiefouten hebben betrekking op het trekken van conclusies uit voorafgaande uitspraken (incl. uitgangspunten). Isolatiefouten worden gemaakt als een (sub)redenering op zichzelf beschouwd correct is, maar deel uitmaakt van een andere redenering waarin aannames worden gemaakt die in strijd zijn met die van de subredenering.

Iets minder bekende redeneerfouten zijn wellicht: het negeren van cumulatieeffecten, en het veronderstellen dat kleine effecten kleine gevolgen hebben. Isolatiefouten worden vooral gemaakt bij besluitvorming. Bepaalde alternatieven worden aangenomen of afgewezen op grond van een absolute beoordeling, niet met dezelfde maatstaven waarmee de andere alternatieven worden beoordeeld, en niet in vergelijking daarmee. Achteraf kan dan blijken dat er een vermijdbare slechte keus is gemaakt.

Er is geen methode bekend waarmee kan worden vastgesteld of een redenering juist is. Het enige dat men kan doen is zoeken naar fouten en alternatieve redeneringen. Het zoeken naar fouten vereist een kritische houding. In die zin dat zoveel mogelijk wordt vergeleken met betrouwbare kennis, en dat bij zoveel mogelijk beweringen vragen worden gesteld.

Er kan worden onderzocht of een redenering gecorrigeerd kan worden, en dan nog steeds dezelfde conclusies oplevert. Soms kunnen de conclusies met een alternatieve redenering worden afgeleid.

Als conclusies onjuist lijken kan naar tegenvoorbeelden worden gezocht, of kan worden geprobeerd aan te tonen dat logische implicaties van de conclusies onjuist zijn.

Terug naar de inhoudsopgave van deze samenvatting.

3. Collectief redeneren.

Collectief redeneren is discussiŽren met het doel: het binnen zo kort mogelijke tijd bereiken van consistente overeenstemming over een redenering die een verband legt tussen overeengekomen uitgangspunten en uitspraken waarvan de inhoud tevoren globaal gegeven is. Overeenstemming over een verzameling uitspraken heet consistent als de uitspraken consistent zijn, en ook consistent zijn met de taalafspraak.

Een algemene voorwaarde voor het bereiken van overeenstemming over uitspraken (en dus redeneringen) is overeenstemming over de taal waarin de uitspraken worden geformuleerd. De deelnemers aan een discussie moeten zich dus houden aan de taalafspraak. Dit is noodzakelijk maar niet voldoende. De aanvullende voorwaarden luiden: overeenstemming over het globale doel van de discussie; vrijwilligheid van de deelname; vrijheid van deelname; eerlijkheid en integriteit van de deelnemers; deelnemers zijn gebonden door wat ze zeggen; relevantie en motivatie van de bijdragen; een actieve, kritische en zakelijke houding, en consistentie.

De gebondenheid van de deelnemers aan hun bijdragen is het tegengestelde van vrijblijvendheid. Vrijblijvendheid wil onder andere zeggen dat voor uitlatingen geen aansprakelijkheid wordt aanvaard. Veel adviezen en oordelen van onderzoekers hebben deze eigenschap.

De eisen zijn streng, en er wordt zelden aan voldaan. Niettemin leidt schending op zijn minst tot ondoelmatigheid, en mogelijk tot het niet bereiken van het gestelde doel.

Om schendingen van de voorwaarden zoveel mogelijk te ontmoedigen zou een soort rechtsstelsel opgezet kunnen worden dat de invloed van schenders beperkt. Schenders kunnen deelnamerechten worden ontnomen. De rechters zouden onafhankelijk moeten zijn. Ze nemen dus niet deel aan de betreffende discussie.

Collectief redeneren kan zowel mondeling als schriftelijk. Mondelinge discussie heeft nadelen ten opzichte van schriftelijke discussie. Er is een contraproductieve druk om stilte te voorkomen, en er is zelden voldoende denktijd. Het is onmogelijk en meestal onnodig om alle relevante vragen onmiddellijk te kunnen beantwoorden.

De voorwaarden voor collectief empirisch onderzoek bestaan uit de voorwaarden voor collectief redeneren en aanvullende voorwaarden. De aanvullende voorwaarden luiden: overeenstemming over het doel: het beschrijven van de werkelijkheid, het samenvatten van die beschrijving, en het geven van voorschriften waarmee ware uitspraken over de werkelijkheid uit de samenvatting afgeleid kunnen worden; openheid ten aanzien van de empirie en de deelname aan het onderzoek; een door anderen reproduceerbare werkwijze; motivatie van de relevantie van het onderzoek; een kritische houding; en zoveel mogelijk integratie van beschrijvingen en samenvattingen.

Evenmin als bij collectief redeneren is het hier vanzelfsprekend dat de normen worden nageleefd. Een stelsel lijkend op dat voor collectief redeneren verdient daarom ook voor collectief onderzoek aanbeveling. Dat is in het bijzonder van belang als de resultaten van dat redeneren of onderzoek gebruikt worden bij collectieve besluitvorming. Zonder aansprakelijkheid en een soort rechtsstelsel is er geen enkele garantie dat de normen daadwerkelijk worden nageleefd, en dat er op de betreffende uitspraken vertrouwd kan worden.

Als er geen overeenstemming is over uitgangspunten kan er niet altijd overeenstemming worden bereikt over conclusies. Ook niet door praten, discussie of dergelijke. Wel is het mogelijk om een communicatieve procedure uit te voeren die de volgende doelen realiseert:

  1. identificatie en formulering van de verschillende standpunten;
  2. Bepaling van de relatieve waarderingen, die door mensen die een gegeven standpunt innemen worden gegeven aan andere standpunten, en van de aantallen mensen die gegeven waarderingspatronen hebben;
  3. Bepaling van de grootste gemeenschappelijke deler van de verzameling standpunten.
Op deze manier kan inhoud worden gegeven aan het begrip "publiek debat".

Terug naar de inhoudsopgave.

4. Besluitvorming algemeen.

De vraag hoe men dient te handelen kan worden geÔnterpreteerd als de vraag hoe men besluiten dient te nemen.

Uit een definitie van "een optimaal besluit" kunnen eisen worden afgeleid voor de vorming van zo'n besluit. Als een besluit optimaal wordt genoemd als het de best mogelijke verwachte gevolgen heeft, dan kan men een stel eisen afleiden dat opgevat kan worden als de definitie van een besluitvormingsmethode, de zgn. evaluatiemethode. De methode houdt in dat wordt nagegaan wat de alternatieven zijn, en dat de alternatieven worden gewaardeerd op basis van hun gevolgen. Voor de waardering kan een willekeurige maatstaf worden gekozen.

Doordat mensen maar ťťn ding tegelijk kunnen worden ze regelmatig gedwongen "onvergelijkbare" dingen te vergelijken. Soms kan dat worden vermeden. Bijvoorbeeld door alternatieven op verschillende tijdstippen uit te voeren.

De evaluatiemethode maakt het mogelijk om op een beredeneerde wijze om te gaan met onzekerheden.

De best mogelijke gevolgen kunnen alleen worden bereikt door realisatie van het best mogelijke alternatief. In het lijstje alternatieven mogen dus alleen alternatieven ontbreken waarvan zeker is dat ze niet tot de besten behoren.

Belangrijke typen alternatieven kunnen ontstaan door ook alternatieven mee te nemen waarin wordt samengewerkt op basis van bindende afspraken. Handelingen die zonder bindende afspraken relatief onvoordelig of riskant zijn kunnen in een verdragsvariant de optimale zijn. Door samenwerking kunnen in het bijzonder iedereen-of-niemand dilemmas worden opgelost, bijvoorbeeld bij verbintenissen.

Voorspellen is moeilijk, maar niet alle voorspellingen zijn even moeilijk. De moeilijkheidsgraad kan tot uiting worden gebracht door schatting van de onzekerheid van prognoses. Om optimaal te kunnen besluiten en onschendbare normen in acht te kunnen nemen dienen deze onzekerheden voorspeld te worden.

Een stelsel normen en waarden kan worden gedefinieerd als een stelsel eisen waaraan gevolgen van handelingen moeten voldoen, en waarmee de waardering van gevolgen wordt bepaald. Voor optimale of ook maar consistente besluitvorming is het noodzakelijk dat het stelsel normen en waarden consistent en geordend is. De ordening houdt in dat relatieve belangrijkheid zodanig is gedefinieerd dat alle noodzakelijke keuzes gemaakt kunnen worden. Ad hoc ordening impliceert inconsistentie en willekeur. Naast normen en waarden waarvan alleen het relatieve gewicht bepaald is, kunnen er normen en waarden zijn die onschendbaar worden gevonden. Dat wil zeggen dat er strikt aan voldaan moet worden. In de meeste Westerse staten van het jaar 2000 zijn de procedures van het recht onschendbaar, maar worden onder andere activiteiten die risico's voor mensenlevens veroorzaken (en daardoor meestal ook echt mensenlevens kosten) afgewogen tegen gemak en economische belangen.

In veel en belangrijke praktijkgevallen is kwantificering van waarderingen noodzakelijk. Bijvoorbeeld in gevallen waarin gekozen moet worden uit een continu spectrum van mogelijkheden. De verhoudingen tussen de groottes van uitgaven- en begrotingsposten zijn evenzovele kwantificeringen van (relatieve) waarderingen.

Von Neumann en Morgenstern hebben laten zien dat iedereen die een keuze kan maken tussen probabilistische kombinaties van alternatieven een kwantitatieve waarderingsmaatstaf heeft.

Hoewel kwantificering soms vermeden kan worden, en er niet altijd even precies gekwantificeerd hoeft te worden, is het in het algemeen niet zozeer de vraag ůf er gekwantificeerd kan worden, maar hůe dat moet gebeuren.

Aan de duur en de wijze van uitvoering van een besluitvormingsprocedure zijn meestal kosten verbonden. De vraag is dus hoe men het best te werk kan gaan om in beperkte tijd en met beperkte middelen toch zo dicht mogelijk bij het optimale besluit uit te komen. Hiervoor zijn methoden ontwikkeld die kunnen worden gezien als benaderingen van de evaluatiemethode.

In elke verzameling alternatieven zit tenminste ťťn alternatief met een grootste kleinste opbrengst. De besluitvormingsmethode waarbij dat alternatief gekozen wordt heet minimax. Bij algemene toepassing is deze methode inconsistent. Maar de methode kan de best mogelijke zijn als men per sť bepaalde risico's wil vermijden. Dan moeten alternatieven worden afgewezen vanwege de mogelijkheid van onaanvaardbare gevolgen. Ongeacht de kans daarop.

Multicriteria-analyse is een methode voor een benaderde uitvoering van de evaluatiemethode. De "criteria" zijn normen en waarden. Het onderscheidende kenmerk van de methode is de globale wijze van kwantificering. Er wordt verondersteld dat het voldoende is om te werken met een klein aantal categoriŽn. Dus dat de precieze ligging binnen een categorie niet terzake doet. De methode lijkt het best bruikbaar als alle alternatieven in beginsel aanvaardbaar zijn. Ze is niet of nauwelijks bruikbaar als sommige alternatieven voor sommige deelnemers aan de besluitvorming onaanvaardbaar zijn.

Veel van de methoden van besluitvorming uit de praktijk kunnen worden geÔnterpreteerd in termen van de evaluatiemethode. Drie belangrijke methoden zijn: besluitvorming op basis van beoordeling van de uit te voeren handeling, van het te bereiken doel, en besluitvorming met gebruik van een onvolledig of ad hoc stelsel normen en waarden. Een vierde methode behelst besluitvorming op basis van de absolute (d.w.z. niet-vergelijkende) beoordeling van alleen het alternatief "status quo". De afwijkingen van de evaluatiemethode hebben vaak verstrekkende gevolgen.

Gebruik van een onvolledig stelsel normen en waarden komt neer op een andere hierarchische ordening van de normen en waarden. Het spreekt vanzelf dat dat tegenstrijdige besluiten kan veroorzaken. Net zoals het vanzelf spreekt dat het negeren van gevolgen bij de beoordeling van een besluit in het algemeen leidt tot ontevredenheid over tenminste een deel van de gevolgen. De ongewenste gevolgen kunnen de tevredenheid over het goede besluit of het bereiken van het doel in ontevredenheid doen omslaan. Dat mensen bij het nemen van een besluit alleen kijken naar handeling of doel wil namelijk niet zeggen dat ze alleen daarin geÔnteresseerd zijn.

De genoemde methoden zijn inconsistent in die zin, dat de verwachte gevolgen van een besluit dat positief is beoordeeld een negatieve waardering kunnen hebben.

Terug naar de inhoudsopgave van deze samenvatting.

5. Besluitvorming met communicatie: onderhandelen.

Als het gewenst of nodig is dat overeenstemming wordt bereikt over zaken waarbij normen en waarden in het geding zijn, dan is onderhandelen noodzakelijk. Anders dan bij collectief redeneren hoeft onderhandelen tussen mensen die de taalafspraak onderschrijven niet tot overeenstemming te leiden. Als de onderhandelaars streven naar maximalisatie van hun welzijn en als aan hun welzijn kan worden bijgedragen door middel van afspraken en samenwerking, dan kunnen onderhandelingen tot overeenstemming leiden. Over het algemeen is het moeilijk om het onderhandelingsproces zodanig te laten verlopen en een zodanige concept-overeenkomst te bedenken dat alle betrokken partijen ermee instemmen.

Onderhandelen is een vorm van consensusbesluitvorming die gepaard gaat met communicatie en interpersoonlijke (of interorganisationele) vergelijking van waarderingen.

Als een procedure voor collectieve besluitvorming niet wordt afgedwongen, dan wordt de keus van die procedure altijd gemaakt op basis van onderhandelingen.

Het menselijk gedrag bij onderhandelingen valt moeilijk te rijmen met de aanname van het bestaan van een (subjectieve) utiliteit die alleen afhangt van de betreffende alternatieven. Pas nadat onderhandelaars hebben geschat hoe andere onderhandelingspartijen de verschillende alternatieven waarderen zijn ze bereid om een bindende uitspraak te doen over een bepaald akkoord. Mensen stellen niet ťťn maar twee voorwaarden aan uitkomsten van onderhandelingen: ze moeten er op vooruit gaan, en de andere partij mag er niet teveel meer op vooruit gaan dan zijzelf.

Een onderhandelingsakkoord heeft het karakter van een besluit. Het omvat altijd een waardeoordeel. Er zijn per definitie praktische consequenties. Een onderhandelingsakkoord heeft in het algemeen juridische betekenis. Deze eigenschappen onderscheiden onderhandelen van (collectief) redeneren.

Bij onderhandelingen kan onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds win-win-vraagstukken en anderzijds distributie- of verdeelvraagstukken. Distributieve onderhandelingen gaan over de verdeling ergens van. Wat de ťťn meer krijgt, krijgt de ander minder. De som van de (objectieve!) opbrengsten staat bij voorbaat vast. Bij integratieve onderhandelingen staat de totale opbrengst niet bij voorbaat vast. Ze kan groter of kleiner zijn, afhankelijk van de vindingrijkheid en samenwerking van de onderhandelaars. Winst voor de ťťn betekent niet altijd verlies voor de ander.

Wat betreft de ethiek van onderhandelingsmethoden kan het volgende worden geconcludeerd. Als interpersoonlijke vergelijkingen van oordelen noodzakelijk zijn, en als onduidelijk is hoe die anders gevormd kunnen worden dan met behulp van methoden die in beginsel hinderlijk of schadelijk zijn, en zonder instemming ontoelaatbaar, dan kan dat een reden zijn om af te spreken ze bij onderhandelingen toch toe te laten. Dit is geen alles of niets kwestie. Naleving van de afspraken kan desgewenst via een externe rechter worden bevorderd.

Onderhandelingen kunnen worden gecompliceerd door onder andere toetreding van nieuwe onderhandelingspartijen, machtsgebruik, tijddruk, het toevoegen van onderwerpen, ťťn-/ meermaligheid, en openbaarheid van de bijeenkomst(en). Het toevoegen van onderwerpen kan echter ook oplossingen mogelijk maken die bij minder onderwerpen onmogelijk zijn.

Er is nog niets dat lijkt op een samenvattende theorie van onderhandelen. Van de wijze waarop onderhandelingsresultaten afhangen van de genoemde factoren is bijvoorbeeld weinig bekend. Wel is er veel bekend over bepaalde typen modellen voor onderhandelingen. Namelijk over spellen. Die kunnen worden ingedeeld op een manier die kan helpen bij het oplossen van corresponderende onderhandelingsvraagstukken. De speltheorie laat zien in welke zin bepaalde vraagstukken wel en niet opgelost kunnen worden.

Het belangrijkste voorbeeld van een win-win-vraagstuk is het iedereen-of-niemand-spel (I/N-spel). Het correspondeert met maatschappelijke vraagstukken waarvan rechters en statiegeld als oplossingen fungeren. Analyse van het spel laat zien aan welke eisen bijvoorbeeld een rechterlijke organisatie moet voldoen om werkelijk als oplossing van het betreffende vraagstuk beschouwd te kunnen worden. Ze moet dan bijvoorbeeld werken in overeenstemming met degenen voor wie ze het probleem oplost, en doen waarvoor ze is ingesteld. Niet meer en niet minder. Anders kunnen de kosten groter worden dan de baten.

Een gedragspatroon dat optimaal is als het door een voldoend aantal deelnemers wordt gekozen heet collectief stabiel als het optimaal blijft als een aantal van de deelnemers een ander gedragspatroon vertoont. Een belangrijke stelling van de speltheorie van sociale verschijnselen heeft betrekking op reeksen van I/N-spellen. Voor dat spel houdt het gedragspatroon "positieve wederkerigheid" in dat bij de eerste beurt gekozen wordt voor "meewerken", en dat vervolgens de laatste keus van de andere speler wordt nagebootst. De stelling zegt dat positieve wederkerigheid collectief stabiel is.

Terug naar de inhoudsopgave.

6. Collectieve besluitvorming.

Het NIMBY vraagstuk betreft collectieve besluiten die door een meerderheid als positief worden ervaren, en voor een kleine minderheid veel hinder of kosten meebrengen. NIMBY betekent: not in my backyard. In het Nederlands: niet in mijn achtertuin. Met de nadruk op "mijn". Het eenvoudigste voorbeeld is onteigening. Bijvoorbeeld wegens de uitbreiding van een (lucht)haven. De manier waarop het vraagstuk in de praktijk wordt opgelost laat zien dat er gevallen zijn waarin wordt erkend dat meerderheidsbesluitvorming onaanvaardbaar is als er geen schadevergoeding wordt gegeven.

Collectieve evaluatie wordt gedefinieerd als het toepassen van de evaluatiemethode door alle betrokkenen, gevolgd door optelling van de waarderingen per alternatief.

Het begrip "vooruitgang" houdt een waardeoordeel in. Het is niet objectief. Van een activiteit kan alleen onbetwistbaar worden gesteld dat het vooruitgang betekent als het Pareto-verbetering inhoudt. Dat wil zeggen dat tenminste ťťn persoon er in zijn eigen ogen op vooruitgaat en niemand achteruit. Vanwege de subjectiviteit van waardeoordelen kan in alle andere gevallen terecht worden volgehouden dat de nadelen groter zijn dan de voordelen.

Begrippen als vooruitgang en algemeen belang kunnen in termen van collectieve evaluatie operationeel worden gedefinieerd. Voorstellen die op basis van collectieve evaluatie worden gekozen kunnen altijd zodanig worden gewijzigd dat ze algemene instemming krijgen en Pareto-verbetering inhouden. De wijziging betreft compensatie van mensen die er problemen mee hebben. Als er geen compensatie plaats kan vinden en vindt, dan is dat grond voor ontkenning van de bewering van vooruitgang of algemeen belang.

Zolang niet is aangetoond dat de begrippen vooruitgang en algemeen belang objectieve betekenis hebben laat collectieve evaluatie zien dat claims van vooruitgang en algemeen belang alleen gerechtvaardigd zijn als er algemeen mee ingestemd wordt.

Ordening en kwantificering van de onafhankelijke normen en waarden van een stelsel normen en waarden kan als probleem worden ervaren wanneer deze normen en waarden tegelijkertijd als onvergelijkbaar worden beschouwd. Bij collectieve besluitvorming wordt daar het probleem van de interpersoonlijke vergelijking van (persoonlijke) waarderingen aan toegevoegd. Het doet zich voor bij alle vraagstukken van collectieve besluitvorming. Buiten consensusbesluitvorming is er geen enkele methode die het vermijdt of oplost. Collectieve evaluatie is echter de enig bekende methode die consistent is met de evaluatiemethode.

Wat democratische besluitvorming wordt genoemd is een kombinatie van vertegenwoordiging en meerderheidsbesluitvorming. Er kan worden betoogd dat een grote groep mensen die in beginsel met consensus wil besluiten voordeel heeft bij het benoemen van vertegenwoordigers, en bij meerderheidsbesluitvorming. Dit betoog bevat twee redeneerfouten. Ten eerste veronderstelt het echte vertegenwoordiging, dus ook controle daarop en de mogelijkheid van correctie en herroeping. In de praktijk is dat niet het geval. Ten tweede is het bereiken van consensus alleen tijdrovend als het voorgestelde niet door iedereen positief wordt gewaardeerd.

Om collectieve beslissingen te kunnen nemen zonder waardeoordelen te hoeven kwantificeren is geprobeerd om ordeningen te aggregeren. Dus om een functie te vinden die een collectieve ordening afleidt uit individuele ordeningen. Om aanvaardbaar te zijn moet die functie aan een aantal breed aanvaarde eisen voldoen. Arrow heeft bewezen dat zo'n functie niet bestaat.

Onder een politieke discussie wordt een discussie verstaan waarbij het nakomen van de taalafspraak niet als onschendbare randvoorwaarde wordt gesteld, en waarin taal en informeren ondergeschikt worden gemaakt aan vooropgezette doelen. Doordat tijdige, volledige en waarheidsgetrouwe informatie noodzakelijk is om te weten of een besluit goed genoemd kan worden is in de regel onduidelijk of besluiten die worden genomen op basis van een politieke discussie goed genoemd kunnen worden; laat staan optimaal.

De ontwikkeling van de samenleving wordt in sterke mate bepaald door het recht. In het bijzonder door de voorschriften die het recht geeft voor besluitvorming door overheden en rechtspersonen.

De besluitvorming door overheden wordt gekenmerkt door schijnvertegenwoordiging en meerderheidsbesluitvorming. Vertegenwoordigende lichamen kunnen op uiteenlopende wijze worden samengesteld. De twee belangrijkste typen zijn: evenredige vertegenwoordiging en vertegenwoordiging vanuit districten. Onder andere met behulp van meerkamerstelsels kan aan meerderheidsbesluitvorming op verschillende manieren uitvoering worden gegeven. Meerderheidsbesluitvorming is geen eenduidig begrip.

Het lidmaatschap van de meeste rechtspersonen is vrij. Leden zijn beter beschermd tegen besturen dan burgers tegen overheden, en kunnen bovendien de band met de rechtspersoon verbreken als ze dat wensen.

Beslissingen kunnen alleen goed of optimaal zijn als alle relevante kosten en baten in rekening worden gebracht. Het geldende (aansprakelijkheids)recht staat rechtspersonen toe slechts een deel van de kosten in rekening te brengen. Dat betekent dat ontwikkelingen in gang worden gezet die negatief gewaardeerd zouden worden als alle kosten meegenomen worden. (Doordat bij de berekening van het nationaal inkomen alle betaalde activiteiten per definitie positief worden gewaardeerd mag uit economische groei geen vooruitgang worden geconcludeerd).

Geen van de feitelijk toegepaste methoden van georganiseerde collectieve besluitvorming kan goed genoemd worden als die kwalifikatie consistent moet zijn met breed gedeelde opvattingen over "goed". Dit betekent onder meer dat deze methoden kunnen leiden tot "slechte" resultaten. De methoden zijn dus voldoende om deze resultaten te verklaren; menselijk wangedrag is daarvoor niet benodigd.

Afgezien van dwang is er geen reden waarom mensen die niet met een methode van besluitvorming hebben ingestemd gebonden zijn aan de besluiten die daarmee genomen zijn. De constatering van J.J. Rousseau, dat besluiten alleen bindend zijn voor degenen die met de betreffende methode van besluitvorming hebben ingestemd, is in de afgelopen eeuwen niet weerlegd. Besluitvorming met consensus wordt op ondeugdelijke gronden verworpen, en mensen worden op ondeugdelijke gronden gebonden door besluiten die op andere manieren zijn genomen.

Terug naar de inhoudsopgave van deze samenvatting.

7. Normen en waarden voor vreedzaam naast elkaar bestaan.

Het subjectiviteitsbeginsel houdt in:

  1. dat er geen a priori bindende (objectieve) normen en waarden bestaan;
  2. dat ieder mens het recht heeft om zelfstandig te oordelen;
  3. dat aan de oordelen van verschillende mensen geen verschillende betekenis mag (of kan) worden gehecht.
In het bijzonder mag ieder mens zelf uitmaken wat goed of niet goed voor hem is. Het beginsel houdt in dat alle menselijke oordelen subjectief zijn, en niet bindend voor anderen.

Ontkenning van het beginsel betekent in de praktijk niet alleen passief geloof in het bestaan van objectieve normen en waarden. Het betekent ook dat kennis van die normen en waarden geclaimd wordt, en dat van anderen geŽist wordt dat ze zich daar in voorkomende gevallen aan houden. Aan oordelen van verschillende mensen wordt dan verschillende betekenis gehecht. In die zin dat het oordeel van sommigen bindend is voor anderen, en het omgekeerde niet. Ontkenning van het subjectiviteitsbeginsel leidt dus in de praktijk tot machtsgebruik en rechtsongelijkheid.

De taalafspraak omvat een aantal normen en waarden. Mensen die de taalafspraak onderschrijven zijn daardoor niet meer vrij in hun keuze van normen en waarden. Ze zijn gebonden aan de implicaties van de taalafspraak. Hun andere normen en waarden mogen niet met die implicaties in strijd zijn. Het subjectiviteitsbeginsel houdt in dat het mensen vrij staat al dan niet de taalafspraak te onderschrijven, en dat mensen die zich aan de taalafspraak binden daarmee niet gebonden zijn aan andere normen en waarden dan uit de taalafspraak volgen.

Van een tweetal mensen of groepen mensen wordt gezegd dat ze vreedzaam naast elkaar bestaan als de activiteiten van de ťťn geen negatieve invloed hebben op het welzijn van de ander, en omgekeerd.

Het vrijwaringsrecht is het recht om gevrijwaard te blijven van de gevolgen van andermans handelen. Door het vrijwaringsrecht niet te erkennen ontneemt men ook zichzelf dit recht en handelt men in strijd met het subjectiviteitsbeginsel.

Mensen kunnen dan en slechts dan vreedzaam naast elkaar bestaan als zij metterdaad het subjectiviteitsbeginsel en het vrijwaringsrecht erkennen.

Deze stelling zegt niet hoe mag of moet worden gehandeld als de toestand van vreedzaam naast elkaar bestaan geschonden is, en waarom er dan zo gehandeld mag of moet worden. De leemte kan worden opgevuld door het wederkerigheidsbeginsel. Dat houdt in dat niemand meer rechten heeft dan de rechten die hij van anderen eerbiedigt, en dat niemand minder rechten heeft dan noodzakelijk zijn om de rechten die hem werden gegeven voor anderen te kunnen handhaven. Dit beginsel geeft aan hoe verlies van welzijn, ontstaan door schending van het vrijwaringsrecht, zo volledig mogelijk kan worden gecompenseerd, met minimaal verlies van welzijn van de actor.

Het vrijwaringsrecht en het wederkerigheidsbeginsel vormen de basis voor een geordende samenleving met een minimum aan geweld. Dank zij het wederkerigheidsbeginsel is het daarbij niet nodig om aannames te maken over menselijke eigenschappen.

Vrijwaringsrecht en wederkerigheidsbeginsel volgen niet uit de taalafspraak (of logica). Maar hun ontkenning heeft wel logische consequenties. Wie vrijwaringsrecht en wederkerigheidsbeginsel ontkent geeft anderen daarmee het recht hem te negeren, en heeft geen grond voor verzet tegen bijvoorbeeld het verhalen van compensatie voor veroorzaakte hinder of schade.

Pareto-verbetering is alleen verzekerd als iedere groep mensen het recht heeft om voor zichzelf al die zaken te regelen die geen gevolgen hebben voor anderen, en gevrijwaard te worden van de gevolgen van activiteiten van anderen. Voor het uitvoeren van activiteiten die gevolgen hebben voor anderen is de toestemming van die anderen nodig.

De enige vorm van collectieve besluitvorming die te rijmen valt met het subjectiviteitsbeginsel is consensusbesluitvorming.

Een deel van het geldende recht respecteert de genoemde beginselen en kan dus zonder ingrijpende wijzigingen worden gehandhaafd. Belangrijke onderdelen zijn echter in strijd met ofwel het vrijwaringsrecht of het wederkerigheidsbeginsel, of beide. Het menselijk welzijn wordt niet als onschendbare waarde aanvaard. Vanwege bijvoorbeeld besluitvorming bij meerderheid zelfs niet als het begrip welzijn een meer objectieve betekenis zou hebben. Actoren worden stelselmatig bevoordeeld ten opzichte van mensen die gevolgen van hun handelen ondervinden. De wet verbiedt niet per definitie al datgene dat het vrijwaringsrecht schendt. Zoals het veroorzaken van gezondheids- of levensbedreigende risico's.

Sociale rechtvaardigheid en tolerantie zijn subjectieve en rekbare begrippen. Herverdeling is alleen mogelijk op basis van vrijwilligheid of onder bedreiging met geweld (of het daadwerkelijk gebruik daarvan). Het vrijwaringsrecht valt niet te rijmen met een verplichte bijdrage aan sociale rechtvaardigheid.

Als onder tolerantie wordt verstaan: het verdragen van hinder of benadeling die het gevolg is van het handelen van anderen, dan zijn er voor het eisen van tolerantie geen gronden te vinden in de taalafspraak en is die eis in strijd met het vrijwaringsrecht. Er dient tevoren instemming gevraagd te worden en desgewenst compensatie gegeven te worden.

In aanvulling op de begrippen staat en organisatie is het handig om een cultuur te definiŽren als een groep mensen die het eens zijn over de normen en waarden waaraan buren zich dienen te houden. Staten en organisaties zijn niet gedefinieerd in termen van gedeelde normen en waarden. Tot een cultuur behoort men vrijwillig. Staten en hierarchische organisaties worden gekenmerkt door macht en dwang. In een cultuur is dat per definitie uitgesloten.

Discussie wordt algemeen beschouwd als standaardmethode voor conflictoplossing. Maar hoogstens vraagstukken van objectieve aard kunnen door discussie worden opgelost. Over normen en waarden kan door bespreking of redeneren niet noodzakelijk overeenstemming worden bereikt. Hetzelfde geldt voor uitspraken over de (on)wenselijkheid van gegeven activiteiten. De ervaring leert dat sommige onderhandelingsvraagstukken door praten opgelost kunnen worden. Daarbij wordt echter geen overeenstemming bereikt over normen en waarden, maar alleen over het positief zijn van de waardering van specifieke alternatieven.

De illusie dat er door praten overeenstemming kan worden bereikt over normen en waarden verhindert het benutten van andere mogelijkheden van vreedzaam naast elkaar bestaan. Zo kan het welzijn van alle betrokkenen gediend zijn met het vermijden of opheffen van het door elkaar wonen van leden van voldoende verschillende culturen.

Normen en waarden en het welzijn van groepen mensen laten zich niet logisch aggregeren of middelen. Vandaar dat in verband met staten en hierarchische organisaties vrijwel uitsluitend over belangen wordt gesproken. De toegenomen invloed van staten en organisaties heeft tot gevolg dat het denken in termen van belangen ook de overhand heeft gekregen als het gaat om mensen. In recht en politiek tellen meestal alleen hun belangen. Dus niet hun overige waardeoordelen, in het bijzonder met betrekking tot immateriŽle aspecten van hun welzijn en dat van toekomstige generaties.

Er is geen grond voor antropomorfe behandeling van organisaties. Er is ook geen reden ze vrijwaringsrecht te geven in aanvulling op de rechten van de mensen die er deel van uitmaken. Onvoorwaardelijke uitbreiding van vrijwaringsrecht en mensenrechten tot staten en hierarchische organisaties is over het algemeen in strijd met het menselijk welzijn.

Gebruik van het woord "vertegenwoordiger" voor mensen die niet teruggeroepen kunnen worden is onterecht en misleidend. Om deze reden en vanwege de meerderheidsbesluitvorming zijn de huidige democratische stelsels principieel gewelddadig. Ook politieke partijen zijn principieel gewelddadig: ze zijn bereid om te handelen in weerwil van de wensen van minderheden. Wie tegen geweld is kan alleen instemmen met een stelsel dat de (vrijwillige) instemming heeft van alle betrokkenen.

Terug naar de inhoudsopgave.

8. Consensusbesluitvorming. Verantwoordelijk handelen.

Wie zich bereid heeft verklaard tot communicatie hoeft nog niet in te stemmen met waardeoordelen die geen deel uitmaken van de taalafspraak. De taalafspraak impliceert ook geen instemming met vormen van collectieve besluitvorming die inhouden dat er besluiten genomen worden zonder instemming van de betrokkenen.

Alleen als een besluit is genomen met consensus onder alle betrokkenen is het gerechtvaardigd om te beweren dat de (subjectieve) voordelen opwegen tegen de (subjectieve) nadelen, en dat het vooruitgang betekent of in het algemeen belang is. Het is onwaar (in logische zin) dat consensusbesluitvorming kan verhinderen dat er besluiten worden genomen die in het algemeen belang zijn.

De bezwaren die tegen consensusbesluitvorming worden gemaakt zijn ten dele gebaseerd op misvattingen over de betekenis van consensusbesluitvorming. Consensusbesluitvorming betekent niet dat iedereen moet instemmen. Er is alleen instemming nodig van degenen die gevolgen van het besluit kunnen ondervinden.

Het afwijzen van consensusbesluitvorming betekenen intolerantie, geweldgebruik en het negeren van het subjectieve karakter van (waarde)oordelen.

Het geweld dat de huidige democratie met zich meebrengt is niet deugdelijk gerechtvaardigd. Wie geweld gebruikt op ondeugdelijke gronden kan van anderen niet eisen dat zij van geweldgebruik afzien.

Invoering van consensusbesluitvorming is geen alles-of-niets kwestie. Er zijn vele mogelijkheden om geleidelijk meer gebruik te gaan maken van vormen van consensusbesluitvorming. Een aantal staat opgesomd in de aanbevelingen.

Begrippen die zijn samengesteld met het woord(deel) "verantwoord" verwijzen naar gedrag, en dus naar besluitvorming, waarvan (ook) anderen dan de actoren gevolgen ondervinden. Enerzijds vindt de actor dat de betrokkenen op ťťn of andere manier toestemming voor zijn gedrag zouden moeten geven, anderzijds vindt hij het gerechtvaardigd dat die anderen buiten de besluitvorming worden gehouden. Hij vindt dat het voldoende is om verantwoord te handelen.

In het spraakgebruik is het begrip verantwoordelijkheid dermate breed dat het zelfs gebruikt wordt om aan te duiden dat er geen verantwoording verschuldigd is, of om aan te duiden dat iemand zich onttrekt aan het afleggen van verantwoording. Het is echter duidelijk dat de communicatie gebaat is bij beperking van het gebruik van samenstellingen met "verantwoord" tot situaties waarin er mensen zijn tegenover wie in beginsel verantwoording afgelegd moet worden, en waarin die mensen daar een bindend oordeel over kunnen uitspreken.

Het gebruik van samenstellingen met "verantwoord" vertoont veel overeenkomst met het gebruik van de terminologie "rekening houden met". Iemand die vindt dat hij verantwoord moet handelen heeft het idee dat hij met bepaalde opvattingen, personen of zaken rekening moet houden. Maar toch ook weer niet teveel. Net als veel "verantwoordelijk handelen" heeft "rekening houden met" iets tweeslachtigs. Het wordt beschouwd als een compromis tussen solistisch-autoritaire en consensusbesluitvorming. Het is de actor die uitmaakt wat zinnige en onzinnige wensen en randvoorwaarden zijn, en in welke mate daar rekening mee gehouden moet (of "kan") worden.

Terug naar de inhoudsopgave van deze samenvatting.

9. Onrechtmatige daad en strafrecht.

Zonder algemeen bindende regels (normen) en een stelsel van toezicht op de naleving van die regels zouden de meeste menselijke activiteiten en samenwerkingsvormen onmogelijk zijn of voortdurend tot conflicten leiden. De verzameling regels heet recht. Het stelsel van toezicht kan bijvoorbeeld bestaan uit politie, openbaar ministerie en rechterlijke organisatie.

Recht is mensenwerk en veranderbaar. Het heeft zeer grote invloed op de ontwikkeling van de mensheid en het leven op aarde.

Hoe meer gevolgen mensen ondervinden van elkaars activiteiten, en hoe meer samenwerkingsvormen ze bedenken, hoe meer afspraken ze daarover moeten maken, en hoe meer er van de regelgeving gevraagd wordt. De ontwikkeling van de menselijke samenleving kan niet zonder een parallelle ontwikkeling van het recht. Het recht bepaalt tot op grote hoogte wat er wel en wat er niet mag en kan. Daardoor wordt de ontwikkeling van een samenleving in sterke mate geconditioneerd door haar recht.

In de historische ontwikkeling van het recht kunnen grofweg drie fasen worden onderscheiden. Namelijk de periode voorafgaand aan de Romeinse republiek, de periode van het Romeinse recht, en de periode vanaf 1800. Het laatste tijdvak wordt gekenmerkt door een enorme groei van overheden. Het percentage maatschappelijke activiteiten dat door hen wordt gereguleerd, bekostigd of uitgevoerd is vele malen groter geworden.

Wetten worden gemaakt door overheden. Ze zijn onvolledig gespecificeerd. Zo nodig moeten ze in concrete situaties worden geÔnterpreteerd en aangevuld. Dat gebeurt door de rechter. De verzameling interpretaties en aanvullingen heet jurisprudentie. Ze maakt deel uit van het recht.

Een belangrijk onderscheid is dat tussen het recht van de rechtspraak en het overige recht. Het laatste wordt materieel recht genoemd; het recht van de rechtspraak procedureel recht. Van iemand die recht heeft op een rechterlijke uitspraak wordt gezegd dat hij rechtsingang heeft. Niet elke wetsovertreding kan aan een rechter voorgelegd worden. Laat staan dat er op elke wetsovertreding straf staat.

Vrijwel iedereen heeft direct of indirect te maken met burgerlijk-, straf- en staatsrecht. Het burgerlijk recht bepaalt aan welke voorwaarden moet worden voldaan opdat bepaalde zaken, zoals "verhuren" en "vereniging", juridische betekenis hebben, en wat die betekenis is. Het geeft voorschriften voor de procedure die gevolgd moet worden om over eventuele geschillen een rechterlijke uitspraak te verkrijgen. Het strafrecht geeft een opsomming van normschendingen en daarbij behorende maximumstraffen. Het organiseert en reguleert opsporing, vervolging, berechting en bestraffing van schenders. Kenmerkend voor het strafrecht, en verschil met het burgerlijk recht, is haar preventieve karakter en de noodzaak om actoren op te sporen en te bewijzen dat zij een norm hebben geschonden. Bij schendingen van normen uit het burgerlijk recht zijn de actoren doorgaans bekend.

Het staatsrecht bepaalt de samenstelling, bevoegdheden (macht) en controle van overheden. Het geeft voorschriften voor het totstandbrengen van wet- en regelgeving. Het regelt in het bijzonder de collectieve besluitvorming van de Nederlandse bevolking in zijn geheel.

Het recht dat uit de taalafspraak volgt zit voor het grootste deel in het burgerlijk recht. Het overige recht heeft een subjectieve grondslag.

Belangenafweging speelt een steeds belangrijker rol in recht en bestuur. Dat kan worden verklaard uit de constatering dat belangen het enige type waarde is dat algemeen als waarde wordt erkend. In het bijzonder door natuurlijke zowel als rechtspersonen. Daar komt bij dat organisaties en overheden aan financiŽle en economische belangen een overheersende betekenis toekennen. Het afwegingsbeginsel wordt echter niet consequent toegepast. Het procesrecht en de belangen van verdachten en veroordeelden zijn nagenoeg onschendbaar in vergelijking tot de belangen van (potentiŽle) slachtoffers. Wettelijke normen moeten enerzijds worden nageleefd. Anderzijds worden de kosten van de naleving van sommige normen afgewogen tegen hun baten. Aan mensenlevens wordt een beperkte waarde toegekend. In het algemeen is onduidelijk welke zaken wel of niet in de afweging betrokken moeten worden, en waarom. En uiteraard hoe: want waarderingen zijn subjectief. Gevolg van de ontwikkeling is onder andere dat de naleving van rechtsnormen betreffende de gezondheid van mens, dier en milieu op een willekeurige manier afhankelijk wordt gemaakt van hun invloed op financiŽle of economische belangen.

Het voornaamste doel van het strafrecht is het "straffen" van wetsovertredingen. Compensatie of herstel van de situatie die aan de overtreding voorafging komt in het gunstigste geval op de tweede plaats.

Bij de bestraffing wordt geen rekening gehouden met het feit dat verdachten hun best doen om uit handen van justitie te blijven, en ook daardoor kosten veroorzaken. Er wordt gedaan alsof het vanzelf spreekt dat die kosten en het overgrote deel van de overige kosten van het strafrechtstelsel worden betaald met belastingopbrengsten. Dus slechts voor een gering deel uit boetes en herstelbetalingen. Dit betekent schending van het vrijwaringsrecht.

Momenteel maakt het vrijwaringsrecht geen deel uit van het recht. Het voldoen aan de voorwaarden voor communicatie is geen wettelijke plicht. Zelfs niet voor overheidsfunctionarissen en volksvertegenwoordigers. Ook daarnaast vertoont het geldende recht belangrijke tegenstrijdigheden met het vrijwaringsrecht. Het staat alles toe wat niet uitdrukkelijk is verboden en waarvan niet is bewezen dat het schade veroorzaakt. Ongeacht de vraag of eventuele schade door de actoren hersteld of vergoed wordt of vergoed kan worden.

Het strafrecht geeft alleen het openbaar ministerie (OM) rechtsingang. Het OM is een hierarchische organisatie die onder leiding staat van de minister van justitie. Omdat het veel minder wetschendingen kan opsporen dan er gepleegd zijn maakt het keuzes. Minister en staten-generaal, en alleen zij, kunnen daar invloed op uitoefenen.

Bij het bepalen van de straf kan de rechter kiezen uit een klein aantal soorten straf. De belangrijkste zijn de geldboete, de taakstraf en de gevangenisstraf.

Handelingen zijn alleen strafbaar als ze uitdrukkelijk strafbaar zijn gesteld. Dit is alleen in overeenstemming met het vrijwaringsrecht als de wet volledig zou zijn, of als de wet het vrijwaringsrecht principieel zou erkennen. Vooralsnog is dat niet het geval. Met name politici en bestuurders worden ontzien of zelfs buiten het recht geplaatst (Pikmeer-arrest). In de politiek zijn bedrog en oplichting niet strafbaar. De ministers en leden van het parlement kunnen in Kamervergaderingen zeggen wat ze willen. De grondwet bepaalt uitdrukkelijk dat ze daarvoor niet aansprakelijk gesteld of vervolgd kunnen worden. De kiezers hebben geen enkel rechtsmiddel om ministers en Kamerleden te dwingen tijdig de waarheid en de volledige waarheid te spreken en te schrijven.

Corruptie door politieke ambtsdragers kan alleen worden bestraft door hun coalitiegenoten. Onrechtmatig uitgegeven geld kan niet worden verhaald. Noch op henzelf, noch op de coalitie die hen steunt.

Ook bij de bestraffing van natuurlijke en rechtspersonen is er sprake van rechtsongelijkheid. De maximumstraf van rechtspersonen is niet evenredig met hun omvang of de veroorzaakte schade. Natuurlijke personen kunnen gestraft worden met gevangenisstraf; rechtspersonen niet. Ze worden ook niet gestraft met tijdelijke sluiting. Als van gevangenisstraf een preventieve werking uitgaat, dan is onduidelijk waarom sluiting bij organisaties niet ook zo zou werken.

Begrippen als "bedoeling", "opzet" en "schuld" zijn alleen voor mensen gedefinieerd. Voor groepen mensen, dus voor rechtspersonen zowel als hun besturen, kunnen ze onmogelijk dezelfde betekenis hebben.

De gegeven situatie is ten dele verklaarbaar uit het achterlopen van het recht op de maatschappelijke ontwikkeling. De stelling uit 1800, dat welzijn en vooruitgang gediend zijn met zo groot mogelijke vrijheid van rechtspersonen, is nimmer geŽvalueerd in het licht van twee eeuwen ervaringskennis.

Een belangrijke vorm van rechtsongelijkheid vloeit voort uit het verschil in kosten van advocaten van verschillende kwaliteit. Het gevolg is dat rechtspersonen en grote criminelen zich minder van rechtsnormen hoeven aan te trekken dan anderen.

Over de strafrechttheorieŽn die de grondslag van strafrecht zouden kunnen vormen bestaat geen overeenstemming. Geen der theorieŽn correspondeert met het feitelijke recht.

Er zijn maar weinig theorieŽn die verband leggen tussen de rechtsschending en de aard en hoeveelheid van de straf. Het duidelijkst is de eis dat de straf dermate groot moet zijn dat de rechtsschending niet loont. De feitelijke straffen voldoen niet aan deze eis. Er mag daarom geen preventieve werking van worden verwacht.

De meeste theorieŽn houden zich eenzijdig bezig met de rechten van de dader. Geen enkele theorie legt uit waarom onschuldigen de kosten van een gegeven stelsel van rechtshandhaving moeten opbrengen. Ook in de praktijk staat de onschendbaarheid van de rechten van verdachten in schril contrast tot het gemak waarmee schending van rechten van anderen (ook in het algemeen) wordt toegelaten. Het strafrecht geeft normschenders rechten die ze niet aan anderen geven, en ontneemt anderen rechten die ze wäl aan anderen geven. De kosten van het stelsel van strafvordering moeten vrijwel volledig worden opgebracht door minder schuldigen of onschuldigen.

Bij aanvaarding van vrijwaringsrecht en wederkerigheidsbeginsel is er geen plaats meer voor "straf" en strafrecht in de huidige zin. In het algemeen komen herstel, schade- en kostenvergoeding in de plaats van straf. Alleen in geval van onherstelbaar of onbetaalbaar onrecht kan straf in de traditionele zin worden gehandhaafd. Maar ook dan dienen maximaal herstel, vergoeding van betrokkenen, en preventie van het opnieuw veroorzaken van onherstelbare schade voorop te staan.

Als er aantoonbare gronden zijn voor de vrees van het veroorzaken van onherstelbaar leed of schade, dan kunnen ten behoeve van preventie rechten worden ontnomen. Zo min mogelijk, maar zoveel als nodig. Overeenkomstig de normen van de actor.

De kosten van het stelsel van opsporing, vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen dienen gedragen te worden door de veroordeelden. Het staat mensen die dat wensen vrij om hieraan bij te dragen. Er is echter geen houdbare grond om van niet-veroordeelden te eisen dat ze dat voorbeeld volgen. Een en ander komt in de meeste gevallen neer op veel strengere straffen. Met dien verstande dat het woord straf niet terecht is. Want van de rechtsschenders wordt niets meer gevraagd dan vergoeding van de schade die ze zelf veroorzaakt hebben, verhoogd met de kosten die gemaakt moeten worden om die vergoeding te krijgen.

Er is geen reden om het aantal typen straf te beperken. Het wederkerigheidsbeginsel ontneemt een veroordeelde in beginsel de door hem geschonden rechten. In overeenstemming tussen actor, slachtoffer(s) en eventuele andere betrokkenen kan ontneming van die rechten worden vervangen door ontneming van andere rechten.

Vanuit een oogpunt van preventie van onomkeerbare ongewenste veranderingen kunnen op allerlei terrein normen worden gesteld. Bijvoorbeeld aan de samenstelling van uitlaatgassen. Maar het respecteren van een norm ontheft niet van aansprakelijkheid.

Het openbaar ministerie is ondergeschikt aan landelijke en plaatselijke overheden. Het is dus niet geschikt voor de vervolging van rechtsschendingen door diezelfde overheden. Daar komt bij dat ambtsmisdrijven niet door het OM maar door de politiek zelf behandeld worden. Er is dus geen deugdelijk stelsel voor de handhaving van (grond)wettelijke normen voor overheden en overheidsfunctionarissen.

Om de volgende redenen moet worden betwijfeld of wettenmakers en juristen voldoende kennis en begrip hebben van de kansrekening om bepaalde tegenstrijdigheden in het recht te kunnen begrijpen en op te lossen. In het bijzonder om het strafrecht zodanig te kunnen ontwerpen dat het preventief kan werken en dat niet-actoren worden gevrijwaard. Op de eerste plaats beschouwt het recht levensbedreigende risico's niet als zijnde strijdig met de mensenrechten. Dit is bovendien in strijd met het angstvallige respect voor de rechten van veroordeelden. Er wordt kennelijk niet beseft dat risico's betekenen dat er na verloop van tijd zeker slachtoffers vallen. Er gaan levens verloren, of er worden mensen ziek of gehandicapt die niet met de veroorzakende activiteit hebben ingestemd. Op de tweede plaats wordt er bij de straftoemeting geen enkele rekening gehouden met de pakkans. Er wordt gedaan alsof die 1 is; dus alsof de opsporing altijd met succes wordt bekroond, en alsof berechting, bewijsbaarheid en bestraffing zeker zijn. Het negeren van het feit dat de pakkans veel kleiner is dan 1 betekent onder meer dat het doel van preventie in de verste verten niet wordt bereikt. Iemand die zijn verstand gebruikt en berekenend te werk gaat, en geen last heeft van subjectieve normen, kan het strafrecht meestal tot zijn voordeel negeren. Wat in ieder geval ten dele verklaart waarom dat zo vaak gebeurt. Op de derde plaats kan worden geconstateerd dat de werken van moderne strafrechtsgeleerden geen weerlegging geven van de constateringen en argumenten van onder andere Bentham terzake. Dat valt moeilijk anders te verklaren dan uit onbegrip.

Terug naar de inhoudsopgave van deze samenvatting.
Terug naar de hoofdpagina.
Naar de inleiding.
Naar de beschrijvende inhoudsopgave.
Naar het recht van de logica.
Naar de aanbevelingen.